Zeebranding
Het lied eens engels of eens duivels zij,
Het grijpt den kleinen mensch tot in de ziel
En .... groot gevoelt hij zich, vol kracht en moed.
Een zucht ? . . . . hoe kan hij bij dien zang bestaan
Een traan ? . . . . verteren zal hem 't vlammende oog

O , zee, o, wilde, rustelooze zee ,
O, beeld der hedendaagsche maatschappij,
Gij heet mij minder naar den klokketoon
Te luistren en te droomen in het groen
Van lente, zonneschijn en englenwiek.
De tijd van droomen is voorbij, voorbij!
Den kindren van het huidige geslacht
Is hooger, zwaarder taak en plicht bereid!

III.
Bange kreten om verlossing,
Afgeperst door angst en wee,
Roepen al wat man wil wezen
Aan het strand der levenszee.

Droomen ? . . .
Zij, die na ons komen,
Kindren van een beetren tijd,
Zullen schoone droomen droomen,
Van den zwaren druk bevrijd.

Onzer de oorlog, hun de vrede,
Ons de nacht, maar hun de dag,
Hun de danktoon, ons de bede,
Ons de traan, maar hun de lach.

Ons de traan ? —-
Niet van den moede,
Die zichzelf niet helpen kan ;
Ons de traan ... de traan der woede,
Zulk een schaamt zich nooit de man!

Ons de bede . . . vast vertrouwen,
Onversaagd het hoofd omhoog;
Bidden . . . zonder handen vouwen
Zonder sluiten van het oog!