Zeebranding
En dooden haar met kussen van hun mond . . .
O, zalig, zalig, bloempjes! zulk een dood!
En altijd klinkt de klok van 't oude jaar.
Hoor . . . hoor, hoe somber! Neen, zoo klonk zij nooit!
Ach, is het dan zoo duister in mijn ziel?...
Neen!. .. Neen!. . . Maar gij, geboren aan de zee,
Hoort gij die diepe, zware stem dan niet?...
Mijn God. . . dat is de branding van de zee!
Zij is het, die uw ziel en zin vervult,
Zij is het, die in haar zwaarmoedig lied Uw klokketonen als omvangen houdt,
Zij, die tot u in meengen langen nacht
Van vreemde dingen heeft gesproken, zij
Die eens uw Vaadren in den hoogsten nood
Heeft opgeroepen tot een worstelstrijd,
Die van een arm en afgemarteld volk
Een kloeke heldennatie maken zou;
Zij, de eeuwge stem der eindelooze zee!
En 't is mij of ik sta aan 't strand der
zee.
Zij worstelt met den storm, en brult het uit
Van woede en dollen toorn. — Maar.... machteloos ?
Ze weet niet wat dat is! Ze steigert op
En vlokkend spat haar schuim hoog in de lucht,
Zij jaagt haar witgekruinde golven voort
Tot waar het strand haar paal en perken stelt....
Haar paal en perken ?.. . . Is dat strand, dat duin
Geen maaksel van haar hand ? — En loeiend rolt
De branding aan.... Hoor, hoor dat dolle lied!
Dat is geen lied der wanhoop! — Of het dan