Deze Novemberdag van het jaar 1610 was wel een uitgezochte en zeldzaam mooie dag. Op het gras van het kerkhof, lagen de afgevallen en reeds bruin geworden blaren heengespreid. Er werd weer een nieuw bewoner op het kerkhof verwacht. Daar wachtte een open groeve. En daar kwam ze al aan, de lijkstaatsie. Van heel ver had ze niet behoeven te komen. Want de Plaetse Welle lag vlakbij de Godsakker, en uit een van de huisjes op dat plein was de kist gedragen, die toen voorzichtig en eerbiedig op de draagbaar was gezet en omhuld met het zwarte kleed. Zwaar bromde de grote klok, de Catharina, die volgens de gewoonte van die dagen over elke dode ter uitvaart werd geluid. De man die hier uitgedragen werd en neergelegd bij de velen die hem vooraf gegaan waren, en die hij nu volgde, doodmoe van het leven, zodat de dood voor hem een verlossing was geweest- die man was Rochus Meeuwiszoon, 's Koningstimmerman...neen, de arme , verwaarloosde, vergeten ...Portier van de Langepoort. De door zijn heldendaad ongeschikt geworden timmerman, die door onverschilligheid van zijn tijdgenoten zo arm was geworden dat hij de Staten van Holland om ondersteuning had moeten vragen.