Rochus Meewiszoon kon er toen niet bij zijn, hij was zo gewond dat hij er ongelukkig door bleef. Gelukkig zat hij er goed in, hij was timmerman en bezat wel twee of drie huizen in eigendom. 'O, dan was hij zeker stadstimmerman?' 'Nee. Hij was Konings-timmerman.' ' en hoe is het met Rochus Meeuweszoon afgelopen. Wel, als hij nog leeft dan moet hij dichter bij de negentig zijn dan ik bij de vijftig. Witte glimlachte maar toen vroeg hij weer, 'hebben ze hem wel bedankt...die Rochus Meewiszoon. 'Dat zal wel, een bedankje kost niet veel.' Dat geloofde Witte ook wel. 'Maar , vroeg hij weer, hebben ze hem ook goed beloond? Ik bedoel of het land en de stad...en de burgemeesters...en ...' En nou, opgerukt, zei de stuurman' En de jongen nog lachend met z'n vinger dreigend, ging de zeeman heen. Die dag kreeg Witte zijn eerste standje van zijn knopenbaas. 'Ik ga toch nog eens naar de Langepoort', dacht Witte, terwijl zijn meester net aan het voorspellen was, dat hij voor gal en rad zou opgroeien. 'Als dat oude mannetje nu maar niet dood gaat, want dan hoor ik nooit het fijne van de zaak, en dat zou me spijten.'