Van Rochus Meeuwiszoon heeft Witte het verhaal van het openhakken van het sluisje niet meer kunnen horen. Maar wel van de nieuwe portier, de schoenmaker die hij in het poortwachtershokje gezien had. Die Jacob Egberts was met de dochter van Rochus Meeuwiszoon gehuwd, en hij wist alles over het sluisje. Nu Witte wist wat voor held de portier geweest was, leek het alsof hij een soort minachting voor het oude mannetje had gekregen. Witte was niet van de geaardheid om te dulden en te dragen. Hij heeft zichzelf door het leven heengeslagen, door honderden en nog eens honderden bezwaren, en zichzèlf heeft hij gemaakt tot een man, wiens naam door de wereld klonk als een van die vele Nederlandse zeeleeuwen, van wie nog menig vader zijn kinderen vertellen zal. Witte is tot grote hoogte opgeklommen. En daartoe hebben hem geen mensen geholpen. Zijn dood is even geweldig geweest als zijn leven. En nooit is hij overwonnen, noch door de vijand, noch door de omstandigheden van het leven. Hem voorwaar had men in geen portiershokje gestopt. Hij zou er even zo goed uitgekomen zijn om weer het weide water op te zoeken en daar te sterven, als hij gekomen is uit zijn kamer op de Gevangenpoort in Den Haag, waar hij opgesloten is geweest en waar men nog zien kan het scheepje, dat hij met zijn mes in het houten beschot van de bedstede heeft uitgesneden, en dat ons nòg vertelt hoe heel zijn ziel vervuld was van de zee. Hij is nooit iemand geweest om te buigen. Zijn kop heeft hij opgeheven tegen allerlei hoogheden, tot de hoogste in het land toe. Hij vraagt niet ons medelijden, evenmin als hij ooit zelf medelijden heeft gehad, en daarom niet geliefd, maar eer gevreesd was.