Misschien komt de zee mij wel te hulp, want dat heeft ze toch ook voor de Watergeuzen gedaan. De stuurman keek hem met grote ogen aan. 'Hoe heb ik het nou met je? 'Is de zee de Watergeuzen te hulp gekomen?' 'Zeker!.. Op vijf April van het jaar 1572'. 'Sapperloot, Witte....je moet zien dat je oud wordt, dan kun-je nog een schooltje opzetten, en de bengels leren van heb ik jou daar!' De stuurman lachte, maar Witte zei hem dat er een sluisje was opengehakt, en dat. 'O, nou snap ik je, je denkt aan Rochus Meeuwiszoon, de timmerman die het Nieuwelandse sluisje kapot maakte. 'Rochus Meeuwiszoon?' , vroeg Witte heel belangstellend, 'heette die held zņ?...en hoe is dat gegaan...? 'ho, ho vrind, ik ben er niet bij geweest hoor, maar ik heb het mijn vader dikwijls horen verhalen....Dat was me een mannetjesvent, die Rochus Meeuwiszoon! Zonder zijn heldendaad was Den Briel voor de poes geweest. Ik zeg maar aan alles moet een begin zijn..of weet-jij dan een ding waar geen begin aan zit, dat-je zo zit te grijnzen?' 'Ja,' knikte Witte, 'aan een zeekaak, want die is rond.' Witte kreeg wat zijn hart begeerde. En toen hij heerlijk zat te muizen ging de stuurman voort: 'Om op de wakkere timmerman terug te komen...toen het water in de polder kwam, voelden de Spanjolen dat d'r voetjes nat begonnen te worden...en daar konden d'r mooie schoentjes niet tegen, zie-je. En je begrijpt toen gingen de Geuzen ze achterna. Dat was precies hun element, dat water; ze zaten de Spanjolen achterna en de boeren deden ook mee. En toen de arme sukkels, die Spanjaarden bedoel ik, bij de Bornesse kwamen en veilig en wel op d'r schepen wilden, - had Bloys van Treslong daarvan zoveel mogelijk de touwen gekapt en was er hier en daar al een schip aan 't branden.