
Bij toeval moest Witte voor zijn baas een boodschap doen bij de stuurman van een schip, dat in de buitenhaven lag. Tot zijn
grote verrassing vond hij in de stuurman een goeie bekende. Die had hem een jaar of twee geleden, even voor het uitzeilen,
een grote dienst bewezen. Toen had de stuurman hem gezien te midden van een hele troep jongens, die hem plaagden en sarden.
Met een paar krachtige termen en opstoppers had de stuurman de jongens uiteen gejaagd. Witte had ook nog een paar vegen uit
de pan gehad, want de zeeman had gedacht dat hij een lafaard was, en die kunnen zeelui niet te best zetten. Toen had Witte
hem verteld, dat hij gèèn lafaard was, maar eenvoudig niet vechten mòcht. En zie, diezelfde redder vond hij nu opeens terug!.
Wel, hij vergat er heel de knopenmakerij door en vertelde van alles wat er in die tussentijd gebeurd was. De zeeman had er
verbazend veel schik in, en vroeg wanneer Witte nu het zeegat uitging. Witte vertelde dat zijn moeder het niet wou, en dat,
als er niemand hem te hulp kwam, hij wel als landrot sterven zou.