
Nog niet ver was hij de Langestraat ingegaan, of hij liep Maritgen het kleine meisje, dat, net als verleden jaar, met eten
in een toegeknoopte doek kwam aandragen, tegen het lijf. Het kleine meisje was helemaal niet meer bang voor de grote jongen, die haar staande
hield en vroeg: 'Waar is de portier?' Het lipje van Maritgen plooide zich droevig. 'Hij is erg ziek', zei ze. 'Erg ziek, '
herhaalde het meisje, dat met klimmende verwondering die rare jongen aankeek, die daar stond alsof 't hem niemendal schelen
kon dat haar grootvader ziek en zij bedroefd was. 'Zoo!' antwoordde Witte eindelijk, en zonder er iets bij te voegen of verder
op Maritgen te letten, liet hij haar staan waar zij stond, en ging verder. Witte hàd nu eenmaal niet veel medelijden; hij
was zelfs erg hard. Dat het oude mannetje nu net ziek moest worden, nu hij zo dolgraag het slot van die geschiedenis wilde
weten. En als de portier kwam te sterven - want die was stokoud- zou hij dat slot nooit meer horen. En toch....hij zou
dat slot horen, en wel op een wijze als hij nooit verwacht zou hebben maar die precies in zijn geest viel.