
En nu gebeurde er iets wonderlijks. Witte scheen zijn bestemming gevonden te hebben. Want hij had van de zeelui gehoord -en
zijn hoofd zat nu eenmaal vol zeezaken- dat een matroos zelf de knopen aan zijn goed moet zetten. Want- ook dàt wist hij -
op zee heb-je geen knopenwinkels, en op de jarenlange zeereizen van toen had-je soms meer aan een knoop, dan aan geld om er
een te kopen. Door al die gebeurtenissen had Witte geen gelegenheid meer gehad om eens even naar de afgelegen Langepoort te
gaan. Toch liep hij nog steeds aan het verhaal van de portier te denken. Jammer toch, dat hij het slot van de geschiedenis
niet te weten was gekomen. Wat zou hij toen met die bijl hebben gedaan? Doch viel het Witte in, de portier had zelf gezegd
dat hij vroeger een flink en krachtig man was geweest.....en, o ja, dat hij op die dag, op vijf april zo gebrekkig was geworden.
Evenwel - het kòn de portier niet geweest zijn. Eenvoudig omdat hij nu zo arm en ellendig was. De stad en heel het land zou
die held toch wel schitterend beloond hebben. Zoo zeurde Witte al voort, hij zou zijn oude vriend weer eens op moeten gaan
zoeken. Het speet hem dat hij de portier niet buiten voor zijn hokje aantrof. Wat nu te doen? Heel veel tijd had hij niet.
't Beste was even voor het hokje heen en weer te draaien. Zoetjesaan, net of hij naar iets anders keek, schoof hij naar het
hokje toe. Maar opeens bleef hij verwonderd staan. Lieve hemel daar zat een heel andere man, daar was een schoenmaker met
een schootsvel en allerlei schoenen en muilen om zich heen. Was Witte niet zo stug geweest, dan had hij wel een praatje met
de schoenmaker aangeknoopt; maar hij wist niet hoe hij beginnen zou. Na even heen en weer gedraaid te hebben, keerde hij zich
om en ging weg.