Er was al weer heel wat tijd verlopen, sedert de dag, waarop Witte naar het verhaal van de portier geluisterd had, dat op zulk een plotselinge wijze was afgebroken. Een tijdlang was Witte vervuld geweest van wat hij hoorde. Was de zee, die hij zo lief had en waarop hij hoopte te gaan varen, de portier werkelijk te hulp gekomen? En ja..., nu kwam het in zijn herinnering op, dat hij wel eens gehoord had van een timmerman die, van de wal gesprongen, onder een kogelregen de vest overgezwommen was, om het Nieuwlandse sluisje open te hakken. Hij wilde 's avonds , toen hij thuis was gekomen, zijn moeder ernaar vragen, maar zij ontving hem met een heel boos gezicht. Want de baas van de lijnbaan had een boodschap gestuurd, dat de jongen doodeenvoudig van zijn werk gelopen was. Maar Witte toonde weinig berouw, hij wou van de lijnbaan af; dat stond vāst in zijn grote kop. Op den duur werd de baas er moe van om nog langer met zo'n onwillige leerling te tobben. Het werd voor beiden onuitstaanbaar zo'n leven, en het slot was, dat Witte wegliep. Dat was heel erg in die tijd, want als een jongen van zijn baas of meester weggelopen was, kon hij niet meer in hetzelfde gilde terecht en moesten de ouders een schadevergoeding en bovendien ook nog een boete betalen. Nu moest vrouw De With weer naar Den Briel heen en weer gaan wandelen om haar zoon in een ander gilde geplaatst te krijgen. Als zij Witte's zin had gedaan, zou zij hem weggejaagd hebben, en wel het zeegat uit. Met veel goeie woorden, en met geld ook, wist zij hem eindelijk in een andere gilde te stoppen, en wel bij dat van de knopenmakers.