Ha! Het was weer de Noordwester die haastig van de zee kwam gestormd en het groene water de rivier òp en onze havens injoeg. Het weerlichtte door mijn hoofd dat het weldra vloed moest zijn en als de sluizen er niet waren, zou de zee zich bruisende storten in de polders. En in een van die laagste polders, in de Nieuwelandse, bevonden zich de Spanjaarden. 't Was of de Noordwester het uitbulderde over de stad: 'Open die doorgang...en heel de zee zal haar jongens te hulp komen!. Thans wist ik wat mijn vaderland van mij eiste. In het gezicht van de vijand zou ik het Nieuwelandse sluisje open moeten hakken. Redden zou ik het leven van mijn dierbaren, redden het leven van mijn landgenoten, neen, redden de vrijheid van mijn vaderland. Toen greep ik mijn bijl. In ontroering was de oude portier opgestaan, zijn rechtervuist balde zich of hij nog de bijl omklemd hield. Ademloos van spanning zag Witte tot hem op...'Portier!' klonk daar opeens een afgemeten, deftige stem. Maar toen Witte zag, wie de nieuw aangekomene was, sloop hij stil en verlegen weg. Een arbeidersjongen ook...en èèn der twee Burgemeesteren vander Stede vanden Brijele!...