Wat die vlag mij voorspeld had, geschiedde inderdaad de volgende dag. Toen hadden Bloys van Treslong en Jacob Simonszoon de Rijk, en andere kapiteins met hen, zich ernstig verzet tegen het plan van Lumeij om Den Briel te verlaten en de stad in vlammen te doen opgaan. 'Wat moet er van ons worden, als we zo te werk gaan?' hadden zij gevraagd. 'Zwalkers zijn we nu, verjaagd door de Koningin van Engeland en eigenlijk door àlle soevereinen. Altijd blijven zwerven langs de wijde wateren kunnen we niet. Maar als overal vijanden aan de kusten wonen, waar zullen wij dan voedsel en een plaats om te rusten vinden? Van de bewoonde wereld afgesneden, zullen we niets dan zeerovers geworden zijn'. 'Maar wat wilt ge dan? 'had Lumeij gevraagd. 'Zoo ge hier blijft, zijn nog vòòr het einde van deze week de Spanjolen hier met grote overmacht. Bovendien. ..wat zou de Spanjool in zijn handen wrijven van plezier als hij in dit nest al de Geuskens bij elkaar had!' , doch hij kon de kapiteins niet overtuigen. 'Indien we tòch sterven moeten', zeiden ze, 'sterven we liever als helden dan als zeeschuimers en schelmen. We hebben nu eenmaal dit nest...en, dan zullen we er een Geuzennest van maken ook!. De vlag waait al van de toren; dat is de vlag van Willem van Oranje...en in zijn naam zullen we de stad behouden en we zullen de Spanjaards doen zien, dat hebben hebben, maar krijgen de kunst is!'