
Juist toen de zonderlinge knaap, schijnbaar zonder enige reden, zo heftig tegen de portier was uitgevaren, kwam er een meisje
de poort binnen met het middageten voor de portier. Bij het zien van de boze, norse jongen drong het meisje, Maritgen, zich
dicht tegen de oude man aan. Deze moest lachen om haar angst. Hoofdschuddend zag de portier hem aan. 'Wel, vrind..., hoe kòm-je
toch zoo boos...en dat op een oude man! De knaap werd bloedrood. 'Wees maar niet bang voor me, vaer...want ik ben eigenlijk
geen jongen...''Geen jongen? ''Neen!..want ik màg niet vechten.''Niet vechten?.. Van je vader niet? ''Mijn vader is dood...''Arme
jongen; dan heb ik medelijden met je. Het is zonde, een jongen met zulke stevige armen en met een gezicht of, ..of hij je
..., zou je je handen thuis kunnen houden als de Spanjool nog eens om het Brieltje kwam'. 'De jongen kromp in elkaar, tranen
sprongen in z'n ogen, en met moeite bracht hij er uit: 'Ik mag immers niet vechten,... we zijn thuis Menist.' Daar ging een
licht op voor het oude mannetje, hij begreep dat een Menist het zwaard niet mag voeren. ' Wie is je moeder? 'Vrouw De With'
. 'Die ken ik niet...'We wonen op de steê Lagerwoude aan het voetpad naar Hellevoet.' 'Dan moet jij zeker ook boer worden,
hè?' 'Weet je wat beters, vroeg de jongen bits. Oud-mannetje glimlachte. 'Dan moet je zien dat je portier wordt, net als ik.