Ik zal het nooit vergeten welke akelige ogenblikken dat voor ons waren, toen op de avond van de eerste April de Watergeuzen Den Briel bestormden. Want we waren bang voor de Watergeuzen. Die kenden maar twee soorten van mensen: vrienden en vijanden. ' Nou maar, daar hadden ze gelijk in' meende Witte. We keken, vervolgde de portier zijn verhaal, 'met een bang hart naar de rookwolken, die hoe langer hoe dichter over de stad trokken. 't Was in de straten doodstil, en toen ik even naar mijn werkplaats liep -ik was toen timmerman- , vond ik er nog een gezel die niet terug naar zijn huis vlakbij de Noordpoort durfde te gaan. En daarom nam ik hem me naar mijn huis. Ik zie ons nog lopen door de Langestraat op die stormachtige Dinsdagavond. Donker was het niet, de maan was bijna vol, want de volgende Zondag zouden we het Paasfeest vieren. Toen ik het thuis niet meer kon uithouden ging ik op de Plaetse Welle een luchtje scheppen.