Zo werd hij baandersjongen op een touwslagerij en draaide het wiel op een van de Brielse lijnbanen. Dit was het eerste van de zes ambachten van welke hij vervolgens telkens weer weggejaagd zou worden. Op een van zijn snoepreisjes naar de haven of de reê, dwaalde hij toevallig de kant van de Langepoort uit. Jawel daar zat de portier nog die Witte dadelijk herkende. Het duurde niet lang of Witte had de portier alles verteld en deze keek er erg van op en moest glimlachen, toen de jongen hem deed voelen, dat zij nu geen gelijken meer waren. 'Zeg maar gerust wat je denkt, vrind!..Ik weet het immers veel te goed, dat ik niets meer waard ben. En dat is heus niet erg, die tijd komt voor iedereen, die de goede God met een lang leven wil zegenen. En, weet je wàt erger zou zijn? Als je jezelf moest verwijten, dat je niet gedaan hebt wat je kon toen je in de kracht van je leven was. Witte keek hem nieuwsgierig aan. 'Ben je dan zeeman geweest? Welnu als je hoofd zo vol is van schepen en zeelui, dan ...,dan zal je me misschien ook met een beetje meer achting aankijken, als je hoort dat , nu ja, dat ik eens met de zee zèlf te maken heb gehad en wel op een zeer bijzondere manier.