Collecte voor de Waldenzen
Keur omtrent het maken van schoenen voor soldaten
Onthulling van de Brielsche Zeenimf.
Subsidie uit het batig slot van het weeshuis aan de Sinte-Catharinakerk en aan de armen te Maarland.
Groote reparatie aan het uurwerk in den grooten toren.
Bezuiniging van het Weeshuis.
Besluiten omtrent den herbergier Jan Gerritze.

4 september 1655. Collecte voor de Waldenzen


 Als men de intieme geschiedenis onzer stad nog eens doorleefd heeft, kan men Den Briel zeker niet van gierigheid, zelfs niet van karigheid beschuldigen. Integendeel, men zou van zekere mildheid kunnen spreken. En hier bedoel ik niet zozeer de regeering der stad. Die had altijd nood, en van het begin tot het einde leest men van bezuiniging, tot op het licht der lantarens toe. Neen, ik bedoel in de eerste plaats de burgerij zelve. Hoeveel die wel gegeven heeft, is bepaald treffend. En niet alleen Zwartewaal en andere visschersplaatsen waar schepen vergaan waren en weduwen en weezen de deernis van den meest zelfzuchtige moesten opwekken, maar ook slaven die vrijgekocht waren van 'den kleinen Turk', krijgsgevangenen die door de Duinkerker kapers genomen werden, kerkbesturen tot ver in den vreemde toe, waar hulp ingeroepen werd voor afgebrande of door den oorlog vernielde bedehuizen, steden en dorpen waar door de vlammen have en goed in den asch was gelegd,...konden en kunnen getuigenis afleggen van die mildheid. En waar vervolgden om den wille des geloofs de hulp der Briellenaars inriepen, konden zij er zeker van zijn niet ongehoord of ongetroost afgewezen te worden. Dit was onder meer het geval met de Waldenzen, die in het Noorden van Italië hadden gewoond, 'in de valeien van Piemont'. Op bovengemelden datum werd bepaald dat 'op morgen middag tusschen beide de predicatiën' langs de huizen een collecte gehouden zou worden voor die arme verdrevenen.
  Den 7en September werd bekend gemaakt wat er ingezameld was. Van zeer veel belang is deze bekendmaking, omdat daarbij de waarde van de verschillende muntstukken, die toenmaals in gebruik waren, in ponden wordt herleid. Een pond was veertig grooten, dat is veertig halve stuivers, en komt dus in waarde overeen met onzen gulden. Ik zal daarom van guldens spreken. Men vergete echter niet, dat het geld toenmaals veel meer waarde had dan tegenwoordig, bijna driemaal zooveel.

6 september 1749. Keur omtrent het maken van schoenen voor soldaten


 Bij het doorlezen der verschillende resoluti?n der Brielsche Magistraat stuit men dikwijls op klachten der burgerij over de concurrentie, die haar onderhands door de soldaten van het garnizoen werd aangedaan. Dat was nogal eens een lastige geschiedenis, want die soldaten hoorden weer tot een heel ander kringetje, en, hoe zelden ook, het komt voor dat een soldaat een 'Raad en Vroedschap' durft beleedigen, zooals Pieter van Almonde in het begin van het jaar 1699 (Resol. Mag. Van den 15, 16 en 28 Febr.) ondervond. Die soldaten behoorden bovendien meermalen tot een vreemde natie (Schotten, Zwitsers enz.) zoodat zij echt onhollandsche begrippen over onze regentenregeering hadden. Zoo was het in 1749 geschied, dat enkele soldaten van het garnizoen schoenen maakten en die in het verborgen aan de burgerij verkochten, welke ook toenmaals gaarne daar ging, waar het 't goedkoopst was. De gildebroeders van het Crispijns- of schoenmakersgilde waren daarover niet op hun gemak. En toen redeneerden zij op een zeer eigenaardige wijze. Kunnen we nergens troost krijgen, en stuurt men ons van Pontius naar Pilatus, welnu we zullen dan naar den Prins gaan, die is net zoo goed de baas over de soldaten als over de burgers. Zoo gezegd zoo gedaan, en inderdaad met het gewenschte gevolg. Zijn Hoogheid keurde het goed, om de 'noodige ordres' te stellen, 'dat geen soldaten van het guarnisoen binnen dese Stadt, schoenen zullen vermogen te maken, te verkoopen, off van buyten in te brengen voor Burgers off militaire persoonen.' De boekhouder van het genoemde gilde, Jacobus Mentzybracht dit antwoord op het request ter kennisse van Mijne Heeren van de Magistraat, die hierop den 6en September besloten dat het request en het antwoord erop van den Prins in het Keurboek dezer Stede zou worden geregistreerd, waarna de soldaten niets anders te doen hadden dan zich stipt en eerbiedig naar deze keur te reguleeren.

11 september 1873. Onthulling van de Brielsche Zeenimf.


 Het is dezen dag (d.i. 11 september 1898 J.G.) 25 jaar geleden dat Koning Willem den Derde met zijn broeder, Prins Hendrik, en zijn zoon, Prins Alexander, zich te Brielle bevond om het monument te onthullen, dat opgericht was ter herinnering van de inneming van Den Briel door de Watergeuzen. Eigenlijk, werd dit toenmaals een weinig anders gezegd. Men sprak toch in het groote jaar 1872 en ook nog in de volgende liever niet zoo boud over de Watergeuzen; men gleed liever over die ruwe gasten heen. Daarom is er geen ruw-ronde zeerob verrezen, en ook om de wille der neutraliteit geen Koppelstok en Rochus Meeuwiszoon; maar een slank vrouwenfiguurtje moest uit een golfje, dat de zee heet te verbeelden, oprijzen om het nageslacht te herinneren aan de dagen van passie, toen alles groot, machtig, geweldig en verschrikkelijk was. Veler ergernis is opgewekt door die arme, mooie zeenimf, en ongezouten genoeg is dat gezegd, niet alleen door de lieden die van geen ontzien van gevoeligheden weten wilden, maar ook door kunstkenners als b.v. Mr. J.E. Banck, die tot op den huidigen dag zijn meening dienaangaande is blijven volhouden. Intusschen- wij hebben nu eenmaal die nimf, het mooie beeldje op ons Asylplein. Waar juist dezer dagen, bij het overdragen van geplante lindebomen aan de hoede van het gemeentebestuur, zoveel schoonde woorden en beloften uitgesproken zijn, willen wij eens nalezen wat 25 jaar geleden de heer ,Gijsbert Hondenpijl gezegd heeft, toen de Voorzitter der Hoofdcommissaris, de heer G.F. Lette, aan de gemeente Brielle het standbeeld in eigendom overdroeg. We lezen dit aldus in het Weekblad van 17 September 1873 (extra-nummer)
  "Geëerbiedigde Koning!
 Kon. Hoogheid Prins Alexander!
 Kon. Hoogheid Prins Hendrik der Nederlanden!
 
 De gemeenteraad van de stad Brielle brengt aan U, geëerbiedigde Koning! Aan uwe Kon. Hoogheid Prins Alexander, aan uwe Kon. Hoogheid Prins Hendrik en aan alle leden van het Vorstelijk Huis zijne oprechte en welmeenende hulde.
 Mijnheer de Voorzitter der Brielsche Hoofdcommissie.
 Het is mij als wethouder dezer gemeente hoogst vereerend om in tegenwoordigheid van Zijne Majesteit den Koning en de Koninklijke Prinsen, dit Nationaal gedenkteken van 1 April 1572 uit uwe handen te mogen ontvangen. Wees verzekerd dat het door de Brielsche Burgerij zeer op prijs wordt gesteld in haar midden een gedenkteeken te bezitten, waaraan zoovele roemrijke herinneringen verbonden zijn. Ieder Nederlander weet toch, dat deze stad de Eerstelinge der Vrijheid is, en Neerlands onafhankelijkheid grondvestte niet alleen door de dapperheid der Watergeuzen, maar voornamelijk door hunne innige gehechtheid aan het huis van Oranje; dat was hunne kracht en ook de onze.
  Nederland kan niet voorspoedig en gelukkig zijn dan met Oranje!
 Dankbaar is de Burgerij jegens den Koning en Zijn huis en jegens ieder die bijgedragen heeft tot daarstelling van dit prachtige gedenkteeken. Openlijk breng ik hulde an de Hoofdcommissie en aan den ontwerper van dit monument.
  En nu, mijnheer de voorzitter, neem ik uit naam van den Gemeenteraad dit nationaal gedenkteeken over met de belofte het te zullen onderhouden. Lang sta het daar tot roem van Nederland en Oranje! Ik vroeg hierbij de bede, dat het den Almachtigen God moge behagen onzen Geliefden Koning en het huis van Oranje nog lang voor Neerlands volk te sparen.
  "Leve de Koning! ! !'
  Op denzelfden dag was ook de Watergeus in het front van het Geuzengesticht onthuld, doch de feestelijke inwijding van deze zeer nuttige instelling had plaats op den 2en October door ds. Verhoeff van Charlois in e Sinte-Catharijne alhier. Tijdens het feest van 11 September werd aan de burgerij bekend gemaakt dat burgemeester G.F. Lette door Z.M. Met de ridderorde van den Ned. Leeuw was begiftigd. De Secretaris der Hoofdcommissie, de heer H. De Jager, werd den 2en October ridder van den Eikenkroon.

13 september 1794. Subsidie uit het batig slot van het weeshuis aan de Sinte-Catharinakerk en aan de armen te Maarland.


 In achting genomen zijnde- aldus luidt de Mag. Res. op bovenstaanden datum- dat, bij het opnemen van de rekeningen van de Godshuizen en Sinte-Catharinakerk dezer Stad, over den jare 1793, gebleken is, dat het Weeshuis dezer Stad heeft een batig slot van 1577 gld. 16 st.- en daarentegen de Sinte- Catharinakerk een kwaad slot van 405 gld. 10 st. 12 p; is na voorgaande deliberatie goedgevonden en verstaan, de cassa van de Sinte-Catharinakerk te subsideeren met de somma van 600 gld. en de cassa van de armen te Maarland met 300 gld. beide uit het batig slot van het Weeshuis. En zal Extract van deze hun Ed. Achtb. Resolutie gegeven worden aan den heer oud-Burgemeester Hogendijk van Domselaer, als Rentmeester van de respective Godshuizen dezer Stad, om te strekken tot zijn qualificatie.

18 september 1690. Groote reparatie aan het uurwerk in den grooten toren.


 Den 9 Sept. 1690 was in de Magistraat besloten 'omme metten Fabrijck te overleggen hoe, bij wie ende in de wat vougen het horlogie ende het voorslagh op den toorn best soude cunnen ende behooren te werden gemaeckt' Het gevolg daarvan was, dat burgemeester Commersteyn zich in betrekking stelde met eenen Jacob van den Bos, smidsknecht van de weduwe van Huygh Claasz Graaij, met wien hij, benevens den fabriek ( d.i. de stads-architect) herhaalde malen het uurwerk inspecteerde. Waarop hij met Jacob van den Bos overeenkwam, 'dat den selven soude genieten een somme van tweehondert veertigh guldens, waer vooren hij behoorlijck sal maken, hermaken, ende seer loffelijcke sal repareren, alle tgene soo aen het voors. oorlogie, ton, onrust, raderen ende anders, als mede aen het slach ende Beijerwerk, van treckers, tuimelaers, hamers, ende klaeuwieren, sal bevonden werden vergaan, ofte ontramponeert te wesen, niets uitgesondert, tselve werck oock wel ende naer behooren schoonmakende, ende van het roest te suijveren; Dogh indien int uijtnemen ende ontsloopen van hetselve werck yets extraordinaris ontramponeert wierde bevonden dat nu niet gesien ofte geweten kan werden, dat in sulcken gevalle, den voors. van den Bos noch een bijslach sal genieten van vijff en twintigh guldens.'
 De overige heeren van de Magistraat vonden dit accoord goed, en in dien zin werd derhalve het besluit genomen.
 Het duurde echter niet lang of er deed zich een nieuw bezwaar voor. De menschen hebben er eigenlijk geen goed besef van dat er een klok op den toren is, voor die stil staat. Dan voelt ieder hoe weinig men zulk een klok kan missen; de klokken die de menschen in hun huizen hebben, loopen voor af achter, maar als er geen algemeene en door ieder als autoriteit erkende verkondigster van het verloop der uren is, heeft men niets meer om er op voor of achter te loopen, en heel de boel raakt in het honderd.
 Om aan deze verwarring een eind te maken, besloot de Magistraat op den 11en November van hetzelfde jaar het volgende:
  'Op den toorn goedt gevonden, een persoon aen te stellen, die van 's morgens te sevenen tot 's avonts ten negen uire, op een kleijn horlogie alle uire sal slaen op de groote uir klock ende dat de nachtwakers alle uire, op een sandtlooper, precijs sullen omgaen.'
  Geheel voldaan schijnt die reparatie van Jacob van den Bos niet te hebben. De Mag. Resol. toch van den 3en Sept. 1691 maakt de melding van zekeren Haagschen uurwerkmaker, Van der Burgh geheeten, die, zoowel 'voor het verstellen van het oude horloge op den grooten toorn' als 'voor het maken van een nieuw horlogie op de Fransche kercks toorn, (d.i. de Kleine of Sint-Jacobskerk) slaande alle uir', een som van 450 gld ontving, terwijl met hem over 'het slaan van een half uir' op de Sint-Jacobskerk nader besproken zou worden.
  Nog lezen wij op 4 October 1692: Is goetgevonden Olij die gebruikt wert tot het smeeren van het horlogie, voortaen niet meer bij de grooten kerck maer bij de Burgemr.-Thesaurier in der tijt betaelt sal werden, ende dat daertoe niet van den besten witten olij maer van de minste en sleghste soort immers claer sijnde daertoe sal werden geëmploijeert."
 Ten slotte nog op 16 Januari 1694 dat aan ,Angnieta Baart, wed. Van Huijgh Claasz Graaij voor het schoonmaken en repareeren van het uurwerk, speel­ en beierwerk toegevoegd zou worden een som van 125 gld. Doch ´bij aldien gehoort zal wezen uijt den horlogeriemaker Van der Burgh in den Hage; hoeveel hij aan het dresseren van de fauten van tselve horlogie soude mogen verdienen, dat alsdan op het pretens van 25 pond van de voors. wed. nader sal werden gedisponeert.

20 september 1670. Bezuiniging van het Weeshuis.


 Hebben we een week geleden medegedeeld dat het Merula-Weeshuis subsidie kon geven aan de Sinte-Catharinakerk en de armen te Maarland, thans vinden wij de gelegenheid om mede te deelen, dat het niet altijd dien bloei gekend heeft. Vroeger hebben we in dit blad reeds een en ander maal verteld, hoe er b.v. een schaalcollecte op geregelde tijden werd gehouden, en het is het groot legaat van Gomar geweest, die den 9en Oct. 1572 stierf, waardoor het Merulagesticht in betere dagen is gekomen. Gaven wij verleden week, op 13 September 1794, een bewijs van den overvloed, thans, geven wij, door het overschrijven van de Mag. Res. van 20 September 1670 een voorbeeld van het tegengestelde.
 'Es goet gevonden vermits de onvermogentheyt ende groote lasten vant Weeshuys, dat de deelinge van Turff welcke de huysgens int Boterslop ende Toorentstraetge tot nog toe van 't voors. Weeshuys hebben genoten, van nu voortaen wert afgeschaft ende sal comen te cesseren."

27 september 1788. Besluiten omtrent den herbergier Jan Gerritze.


 Het eerste besluit was niet bijzonder aangenaam voor gemelden herbergier. Daar gebeurde in zijn huis in de Nieuwstraat dingen die het daglicht niet mochten zien, en het scheelde bitter weinig of zijn woning zou tot dat soort huizen behoord hebben, welke men liever niet noemen wil. De Heeren deden hem voor zich komen en zeiden hem aan, dat als hun weer iets van die manier ter ooren kwam, zij niet alleen de vrouwspersonen, maar ook hem uit zijn huis zouden doen halen en naar de gevangenis brengen om verder zeer gestrengelijk tegen hem te procedeeren.
 En Jan Gerritze moest onmiddellijk beloven alles te zullen nakomen wat de Heeren hem voorhielden. Zoo niet, dan zou hem al dadelijk het verzoek geweigerd worden waarmede hij zich tot hem gewend had, nl. om een biljard te mogen plaatsen, waarvoor men in dien tijd alleen vergunning moest vragen, maar, na het verkrijgen daarvan, per jaar zes gulden moest betalen volgens het besluit der Staten van den 10en Januari 1766.
 De herbergier deed de gevraagde belofte en kreeg daarop de vergunning. Wij vernemen meteen dat zijn herberg het uithangteken van het Melkmeisje voerde, en, zoals we reeds weten, in de Nieuwstraat gelegen was.