Overeenkomst met de Staten van Holland aangaande de inruiming dezer Stad aan de Engelschen. (1)
Overeenkomst met de Staten van Holland aangaande de inruiming dezer Stad aan de Engelschen. (2)
Daniel van Stralen probeert het Onder-Secretarisschap van Den Briel met het ambt van Secretaris van Rockanje te vereenigen.
Verbod aan de Schippers om ziek personen in de Stad te brengen, en een einde gemaakt aan de aanhechting van zegels aan de
officieele stukken der Schepenen.
11 October 1585. Overeenkomst met de Staten van Holland aangaande de inruiming dezer Stad aan de Engelschen. (1)
Zooals men weet is Den Briel in den jare 1585 aan de Engelschen in pand gegeven voor de onkosten die de Engelsche regeering gemaakt had om ons in den oorlog tegen Spanje met troepen te helpen. Heel juist is dit wel niet uitgedrukt, maar het komt er toch op neer.
Nu kan men niet zeggen dat de Brielsche regeering erg op haar gemak was over die aanstaande bezetting der Stad door de Engelschen. Ze dacht: het Vaderland kan ons héél gemakkelijk in pand geven aan den Engelsche kroon, maar wij zitten met dien last en dat verdriet. We krijgen soldaten van vreemde nationaliteit, en die komen eigenlijk in zo'n stadje om te eten en te drinken, en dat niet alleen: men moet ze onderdak brengen ook. Stopt men ze hier of daar in een krot, dan maken ze dadelijk lawaai, en aangezien ze wapens hebben, valt hiermee niet te gekscheren. En wat nog erger is; nu en dan zal een Engelsche gezant of een Krijgsoverste ofwel een andere groote Engelsche meneer naar de Geuzenstad komen, en Den Briel zou wel op dergelijke hooge bezoeken gesteld zijn, als die maar niet zoo schrikkelijk veel geld kostten. Want zoo'n Engelsche lord kan men niet afschepen met een portie soldatensoep of een half commiesbrood.
Nu is er, meen ik, geen stad in Nederland waar vele eeuwen door de lamp zoo voorover gestaan heeft als in Den Briel. De heeren daar, zijn bij overerving door vele geslachten heen, een soort specialiteit in bezuinigen geworden. Treffende staaltjes zal ik daarvan bij gelegenheid nog wel eens in dezen kalender mededeelen. Geen wonder dat lieden, doe zoo immerdoor in een klaaghuis zitten, verbazend handig in het klagen zijn, en zoo wisten ze in 1585 met het uitmemendste gevolg te werken op het hart der Heeren Staten van Holland. Want, al had Den Briel reeds de mooiste beloften van de Staten-Generaal, het had liever die beloften nog eens apart van de provincie van Holland....omdat die rijker was dan al de andere provinciën samen, al zat het er toenmaals bij Holland óók niet erg aan.
Den 11en October 1585 kreeg de regeering van Den Briel de gevraagde schadeloosstelling van de Staten van Holland, of, zooals het heette: de acte van indemniteit.
11 October 1585. Overeenkomst met de Staten van Holland aangaande de inruiming dezer Stad aan de Engelschen. (2)
Moeten wij- zoo hadden de Brielsche Heeren met breed gebaar gevraagd- die Engelsche roodbaaitjes bij de burgers onzer stad in kwartier brengen?
Neen, antwoordden de Staten van Holland, wees maar gerust. Ze moeten zich van logement voorzien zonder dat de inwoners daarmede zullen zijn belast, behalve natuurlijk voor geld en goeie woorden. Ze zullen daartoe logiesgeld krijgen, en Den Briel hoeft daar niets voor te betalen.
Best, zei de Brielsche regeering....maar als ze nu geen geld krijgen, komen ze bij ons, en dwingen ons dat af.
Wees niet bevreesd, antwoordde Holland, ik zal ze betalen; elke maand.
Maar als je nu eens geen geld hebt; wat dan? vroeg Den Briel. Zullen die roodbaaitjes niet gaan plunderen, burger zoowel als huisman? Hoor eens, antwoordde Holland, als wij geen geld uitbetalen prompt op de maand, dan geven wij je het recht om de hand te leggen op alle belastingen.
Patent, zie Den Briel, maar ...het is tegenwoordig zoo'n schrale tijd...als de ontvangers nu niets te verdelen hebben; wat dan?
Dan...antwoordde Holland, geef ik je het recht beslag te leggen op alle schepen die zich in je haven bevinden en op alle goederen in die schepen, mits dat die schepen en goederen van Hollanders zijn. Wij zullen later schadeloosstelling geven; en het spreekt wel van zelf dat je de Brielsche schepen zult ontzien.
Ja, dat spreekt van zelf, antwoordde Den Briel langzaam en bedachtzaam, maar...hoe hebben wij de zekerheid dat die schadeloosstelling gegeven zal worden? We trouwen je wel, doch het is zoo'n bitter booze tijd!...
Hoor dan, zei Holland, wij verbinden onze middelen, domeinen en al wat je maar wilt daartoe.
Den Briel knikte goedkeurend.
Doch..als bijgeval een burger schade ondervindt door een Engelschman?
Dan zal ik die schade vergoeden, zei Holland.
En...als die gezanten of generaals komen? Zulk soort van menschen moet altijd fijner eten dan een gewoon menschenkind, en, al eten de Brielsche Heeren natuurlijk mee, dat zijn alle maar onkosten die vermeden konden worden.
Toen stelde Holland nog eenmaal Den Briel gerust, en zei dat het al die onkosten betalen zou. En ...toen was Den Briel gerust en vond het niemendal akelig meer dat de roodbaaitjes, die toch al weer door nering en vertering een aardig centje in de stad brachten, in de Geuzenstad kwamen. Een kerk war er ook voor hen, de Sint-Jacobskerk, en de altijd luchthartige Briellenaars verbroederden zich met de Engelschen, en hebben tot nu toe niet alleeen de Engelsche uitspraak van de ei behouden, maar ook het idee, dat het Den Briel er niet slechter om gegaan zou zijn, als de Engelschen er een Noordsch Gibraltar van gemaakt hadden.
Die bezetting heeft tot het jaar 1616 geduurd, terwijl het garnizoen uit 3 vendels elk 150 man bestond, gelijk reeds vroeger in dezen Kalender werd medegedeeld. (zie 23 januari 1599) De Sint-Jacobskerk- vroeger de kerk van het Noordeindsche Gasthuis- kwam door het vertrek der Engelschen weer ledig te staan, werd later door de Remonstranten, nog later door de Waalsche gemeente gebruikt, in onzen tijd door de Lutherschen, terwijl er tijdens de wintermaanden door de Ned Herv. Gemeente des avonds godsdienstoefening in wordt gehouden.
18 October 1919. Daniel van Stralen probeert het Onder-Secretarisschap van Den Briel met het ambt van Secretaris van Rockanje te vereenigen.
Zoo iets schijnt ons vrij wel onmogelijk toe, want de Onder-Secretaris van Den Briel had heel wat te doen. Zoodat men tot de conclusie zou moeten komen dat het Secretarisschap van Rockanje in die dagen een betrekking was waaraan men niet veel tijd had te geven. Of men moest daar een klerk hebben die zoo goed als alles deed, terwijl de Secretaris voornamelijk zijn hand had te zetten. Het een en ander is alleen maar uit het Gemeente-Archief van Rockanje te bewijzen of tegen te spreken, het raadsel kan van Den Briel uit niet opgelost worden. Alleen het feit valt door ons te constateeren, dat beide betrekkingen door één persoon konden waargenomen worden, al ligt Rockanje een héél eind van Den Briel. Hoe dit zij, de Heeren van Den Briel wilden niet dat er de Secretarie dezer Stede onder zou lijden. Ze namen daarom op den 18en October van het jaar 1619 de volgende Resolutie:
Es Daniel van Stralen, onder-Secretaris, genomineert tot Secretaris van Rockangie, met die conditiën dat jij oock de secretarie naerstelicken ende getrouwelicken zal waernemen, ende soo mijn heeren de minste ondienst inde Secretarie vernemen, dat hij een van beijde, ofte het onder-secretarisschap, ofte het Secretarisschap, ofte Secretarisschap van Rockange sal moeten verlaeten, ende, ingevalle vant onder-secretarisschap, dat hij soo lange de Secretarie sal bedienen tot dat den Secretaris wederomme van een ander goet onder-secretaris zal sijn voorsien, ende sal den voorn. Van Stralen 't voors. Secretarisschap niet mogen resigneren, maer in cas van 't selve te verlaten, het wederomme stellen in handen vande magistraet.'
Dat 'resigneren' beteekent zooveel als zijn ambt aan een ander afstaan, natuurlijk voor een geldelijke vergoeding. Helaas voor Daniel van Stralen dat wij bij het doorlezen der Resolutiën moesten ervaren, hoe hij, niettegenstaande het uitdrukkelijk verbod van de magistraat, deze zonde bedreven heeft. Meteen blijkt er uit, dat hij het niet kon uithouden om Rockanje, of liever het Secretarisambt aldaar, boven Den Briel verkozen had, waar hij- wij lezen het uitdrukkelijk in de volgende Resolutie- toch niet hooger als een klerk beschouwd werd.
Die Resolutie is van den 12en Juni van het jaar 1620, en luidt als volgt:
'Es verstaen ende geresolveert dat Daniel van Stralen, gewesen clercq opte Secretarie, dewijle hij van Powels van der Nieustadt heeft genoten, tegen het expres verbodt vande magistraet, voor dat hij in sijnne plaetse clercq is geworden, hondert ende twintig, ende bij weijgeringe van dijen dat men hem jegens de stadt sal te gijsel leggen, en deselve gerestitueert hebbende, dat men hem sal geven drije vijerendeeljaers Tractement die hij pretendeert, ende es verstaen, dat het Tractement vanden voors. Nieustadt sal innegaen prima Januarij voorleden.'
25 October 1727. Verbod aan de Schippers om zieke personen in de Stad te brengen, en een einde gemaakt aan de aanhechting van zegels aan de officieele stukken der Schepenen.
Het eerste besluit werd genomen voornamelijk in navolging van de Rotterdamse regeering. De schippers werden aangezegd 'gene arme of zieke menschen te zullen brengen binnen deze Stad, of dat dezelven aanstonds tot hunne kosten ( dat wil zeggen tot kosten der schippers) weder zullen moeten mede varen ter plaatse waar zij (hen) vandaar hebben gebracht, en daarenboven betalen de kosten door de voorz. arme of zieke personen in dien tusschentijd gemaakt.'
De tweede Resolutie luidde als volgt:
'Wijders inconsideratie genomen zijnde de menigvuldige in convenienten en weinig nut in het zegelen der Transport- of Giftebrieven van huizen of landen, gedelibereerd zijnde op een betere verandering dienaangaande- is goedgevonden en geresolveerd dat de twee heeren Schepen- commissarissen, ter maand alle Zaterdagen des namiddags te drie uren zullen komen ter Secretarie of in de Schepenskamer om de huwelijks-geboden aan te teekenen, mitsgaders alsdan te passeeren alle zoodanige Transporten of andere zaken als dan in staat zijnde, en in de plaats van naar ouder gewoonte hun zegels daaraan te hangen, dezelve ten protocolle en op de brieven met hun ordinaris handteekening te onderteekenen.'