Inwijding van het Geuzengesticht
Burgemeester en Regeerders van Rotterdam doen een weesmeisje terugbrengen, dat uit het Merulagesticht ontvlucht is.
Maartje Willems op de Markt te Brielle levend verbrand.
Besluit naar aanleiding van een vijandelijken kaper in de Maas.
Een bootsgezel aan de Pest gestorven.
Sterfdag van Agatha Welhoucx.
2 October 1873. Inwijding van het Geuzengesticht
Het is heden 25 jaar geleden dat bovengenoemd gesticht, opgericht ter herinnering aan de inneming van Den Briel door de Watergeuzen, werd ingewijd. Het 'Weekblad' van 5 October 1873 schrijft hierover het volgende:
'Donderdag 2 October werd in de groote kerk de feestrede tot opening van het Geuzengesticht alhier gehouden door Ds Verhoeff van Charlois, naar aanleiding van Nehemia 12:43. De heer Schaafsma, die aan het begin een enkel woord tot inleiding sprak, sloot de plechtigheid. Twee stoombooten waren voor deze feestviering expresselijk naar hier gekomen met vele belangstellenden uit den omtrek. Na de rede werd in het Geuzengesticht een gemeenschappelijke maaltijd gehouden, waarbij muziekgezelschap 'Harmonie' zich van tijd tot tijd liet hooren, en door feestvierende een telegram aan Z.M. werd gezonden. Vrijdag werd daarop door den Graaf Dumonceau per telegram bericht dat Z.M. werd verzonden. Vrijdag werd daarop door den Graaf Dumonceau per telegram bericht dan Z.M. de Koning het beschermheerschap over het gesticht aangenomen had.
4 October 1727. Burgemeester en Regeerders van Rotterdam doen een weesmeisje terugbrengen, dat uit het Merulagesticht ontvlucht is.
Er bestaat een oude bepaling, dat geen schipper hetzij veer- of beurtschipper, van den Briel afvarende, eenige weeskinderen mede mag nemen zonder een briefje van concent dat door den binnenvader van het Merula-gesticht geteekend moet zijn. Dit besluit werd genomen door de Regeering der stad Brielle, op den 15en September 1727, en wel naar aanleiding van de ontvoering uit gemeld gesticht van een weesmeisje. Volgens rapport van de Regenten had zich aan het Weeshuis een zekere Dirk Rodenacker, timmermansbaas te Rotterdam, geadresseerd, met het verzoek om een weesmeisje, Maria Baar geheeten, 'waaraan hij voorgaf eenigszins te zijn vermaagschapt' uit 'het voorzegde huis' te mogen hebben. De Vader had hiervan kennis gegeven aan de Regenten, die met Dirk Rodenacker een onderhoud hadden waaruit hun bleek dat het hier een geloofskwestie betrof. De Rotterdamsche timmerman behoorde tot de Katholieke Kerk, en zag het met leede oogen aan dat Maria Baar in de Gereformeerde religie werd opgevoed. Hij kreeg een weigerend antwoord, en besloot nu op eigen gezag te handelen. Na de weigering had hij nog even, toen hij het Weeshuis verliet, gelegenheid het meisje te spreken, en tot haar zeggen: 'nu, gij moet dan doen soo als ik geseit hebbe.'
'Waerop gemelte meijsje immediaet haer beste kleederen heeft aengetrocken en stilletjes ten huijse uitgegaen en overgevaeren is op Maeslandsluijs, alwaer gemelte Rodenacker ( volgens onderrigtinge) haer met een chese was wagtende, en vervolgens met haer is weggereeden, hetgeene saken sijn van grooter uijtsigt.'
Men kon wel nagaan dat de vluchtelinge te Rotterdam zou zijn, en schreef daarom een brief aan de Regeering van Rotterdam om 'exact te willen informeeren, en, het voors. meijsje binnen haer Ed. Stad sijnde, te doen neemen in versekerder handt en ons daer van kenisse te geven, opdat haer mogen doen afhalen en weder onder onse magt krijgen.'
Zoo geschiedde het, en den 4en October konden de Heeren van Den Briel den Secretaris verzoeken een brief op te stellen om 'in beleeffde termen' de Regeering van Rotterdam te bedanken 'voor derselver oplettenheit en lieffdadigheid in deze aangewent, mitsgaders haer Groot Agtb. te versekeren dat volgens bekentenisse het voors. meijsie het geval sig in alles heeft toegedragen als in onse voorige (brief) is vermelt, alleen met onderscheit dat den voorn. Rodenacker, als het gemelte meijsje op Maeslandtsluijs quam, al was weg gereeden, en alleen maer den toelegh van den gemelten Rodenacker is geweest omme het meijsje van de gereformeerde Religie tot het Pausdom over te brengen.'
9 October 1628. Maartje Willems op de Markt te Brielle levend verbrand.
Achter in het beroemde Rechtsboek van Den Briel van Jan Mathyssen, welk kostbaar Manuscript uit het begin der 15e eeuw (1404 of 1405) in het Stedelijk Archief te Brielle berust, zijn door allerlei klerken in het verloop der eeuwen op verscheidene bladen perkament velerlei aanteekeningen gemaakt. Een dezer luidt aldus:
'In den jaere 16C acht-entwintich op den negenden October, es voort Stadhuys der Stede van den Brielle levendich met den vyre verbrandt, seeker Vrouwspersoon genaempt Maertjen Willemsdochter, overmits deselve acht van haer eygen kinderen ende vyff getroude mans alle successivelycken ende achter een volgende, vergeven ende omme gebracht hadde, 't welck hyer wert gestelt pro Memorye'.
16 October 1696. Besluit naar aanleiding van een vijandelijken kaper in de Maas.
Dat die kapers toch eigenlijk brutale rakkers waren, bewijst het volgende besluit. Men herinnere zich, dat destijds de negenjarige oorlog in volle gang was.
Vermits - aldus luidt die Magistraats-Resolutie- op verleden nagt een viants kapertje sich verstout heeft op het Hooft deser stede te comen, ende tusschen het oude ende nieuwe Hooft weg te nemen een waterschip van Dordregt, soo is op het versouck vanden Heere Comandeur deser Stede voornemens sijnde omme op het Hooft deser stede te doen waken, voor en ten dienste vande selve wacht bij provisie in te ruijmen en te laten gebruijcken een vande drie kamertjes van het commissarishuijs aldaer.'
Ten zelven dage werd nog besloten een verbod uit te vaardigen tegen 'het loopen van paerden, koebeesten, schapen ende verkens langhs 's Heeren straten, slopen, aan de wallen, borstweringen, kerchoven, op de stads hooft dijk, buijten singels ende wegen daer op sijnen vrijheijt respondeerende.'
Als kantteekening vindt men naast deze Resolutie staan: Verbot varkens etc. langs straat te loopen'. Dat vond de toenmalige stadhuisklerk derhalve het ergste. En daar had de man gelijk in.
23 October 1635. Een bootsgezel aan de Pest gestorven.
Onder de steden die in vroegere eeuwen herhaaldelijk door de Pest bezocht werden, behoort ook Den Briel, wat voor een zeeplaats, waar men in aanraking kwam met allerlei schepelingen van allerlei natiën, niet te verwonderen valt. Al heel vroeg waren hier voortreffelijke maatregelen genomen tegen die gevreesde ziekte, welke meestal door de tijdgenooten 'de gave Gods' genoemd werd, evenals men in onze dagen het volk zelden hoort spreken van de 'Cholera', maar meestal van 'de ziekte'. Die maatregelen zijn elders medegedeeld, hier bemoeien we ons alleen met het verschijnen van de Pest in den jare 1635.
Reeds den 11en October vinden wij van deze ziekte melding gemaakt in een vroedschaps-Resolutie: 'Es de huysvrouwe van Thomas den houtsagher toegeleyt voort bedynen van seecker schamele (arme) vrou die van de Pest gestorven es, mettet affleggen van deselve, den somme van thyen Carolusguldens.'
Op den 15en lezen we in de Magistraats-Resolutie. 'Is goetgevonden ende geresolveert dat men de dooden die van de infectuese siecte gestorven sijn, wesende vreemde luyden ende personen en van buyten gecomen sal begraven opt Maerlantse kerchoff aendde noortsijde vande kercke, ende de ingesetenen deser Stede ofte soldaten, geen eygen graven hebbende, mede van de voors. siecte gestorven sijnde aent noort-oosteynde van St. Catharina-kerckhoff.'
Nu volgt het geval van 23 October, waarop wij hierboven doelden: 'Es goetgevonden dat men seecker Bootsgesel vant schip van captn. Jan van Diemen, van de Gave gestorven sijnde in de vischboot van Pieter Keye, daer gesegt wert de knegt van Jan Maertz. Smit mede gevaren hebben, van Stadswegen sal doen begraven.'
Den 11en October was meester David van de Heul aangenomen tot Pestmeester dezer Stede 'ende es den selven toegeseyt tot syn intreden vant voors. ampt de somme van tweehondert Carolusguldens' terwijl hij jaarlijks 150 Carolusguldens zou genieten, onder conditie dat hij de onvermogende lieden om niet zou dienen.
Het register, waaruit ik deze Resoluties overschrijf, heeft vreeselijk geleden door den lek van de een of andere dakgoot, in de dagen toen de Brielsche regeering voor haar schatten een zolder haast nog te goed vond. Is dit ook tot op zekere hoogte het geval met de Resolutie, die ik nu ga aanhalen, en welke van den 12en October is, als bijzonderheid kan van haar nog gemeld worden dat ze later doorgeschrapt is. Ze houdt een instructie in voor het echtpaar dat het Pesthuis bewoonde en dat zieken moest verzorgen en de dooden afleggen. Deze lieden moesten de dekens, lakens, 'ende andere wollen ende linnen vande voors. Siecken' wasschen en reinigen, luchten en schoonhouden. De stad zou vuur en licht betalen, en ook de kosten voor afleggen en kisten.
Voor ieder volwassen doode zouden Heyndric Janse en zijn huisvrouw twee Carolusguldens hebben en van kinderen van tien jaar en daar beneden half geld. Ook mochten zij buiten het Pesthuis gaan afleggen en kisten, en konden dan voor een volwassene 6 en voor een kind 3 Carolusguldens rekenen. 'Ende sal den voors. Hendric. Jansz. ende syne huysvrouw voor den dienst die sy aen de siecken int Pesthuys sullen doen, genieten boven haer sallaris van afleggen ende kisten ter weecke drye Carolusgulden, ende sullen bovendien mijnne Heeren haer nog versorgen tot haeren brant dertich tonnen turffs.'
Het Pesthuis lag ten Zuiden van het Merulagesticht, in het Brigitten. De Briellenaars hebben dit gebouw nog gekend tot voor een tiental jaren onder den naam van het Prinsenkwartier.
30 October 1645. Sterfdag van Agatha Welhoucx.
Dat door de Stad een legaat liever niet dan wel aanvaard wordt voor een der instellingen van liefdadigheid is een weinig voorkomende gebeurtenis dan dat wij hierop in onzen kalender niet de aandacht zouden vestigen.
We lezen daarover in de Magistraats-Resolutie van den 2en Dec. 1645 het volgende:
Op de notificatie gedaan bij den Burgemeester Aelmonde hoe dat hem als Thesaurier dezer Stede bij juffrouw Petronella Welhoucx was ter hand gesteld de som van 150 pond om daarvan te maken rentebrief tot last van de Stad ten behoeve van het Oude-Vrouwenhuis over zeker legaat bij Agatha Welhoucx, haar dochter, aan dat Vrouwenhuis gemaakt om daarvoor ten behoeve van de oude vrouwen jaarlijks op haar sterfdag, wezende den 30en October, gerecht en genooten te worden een half schaap, een kinnetje goed bier, en anders, volgens de making daarvan zijnde. - Is verstaan het voorz. huis bij de voorz. making niet gebeneficieerd maar veelmeer belast te zijn, en diensvolgens goedgevonden de voorz. Juffrouw Welhoucx te refereeren dat Mijne Heeren 't voorz. legaat met de voorz. last niet kunnen accepteeren, als alleenlijk uitkeerende de jaarlijksche renten van voorz. Kapitaal, zonder in het verdere te willen zijn gehouden.
Op 9 December leest men aangaande deze zaak nog het volgende: Bij resumptie van de Resolutiën op Zaterdag voorleden genomen nopende 't legaat hij de dochter van den Burgemeester Welhoucx ten behoeve van het Vrouwenhuis dezer Stede gemaakt. - Is bij den Burgemeester Aelmonde gerefereerd, dat hij volgens het goedvinden van de Magistraat de weduwe van den voorz. Burgemeester Welhoucx de voorz. Resolutie op het gevoeglijkst hadde genotificeerd, dat Mijne Heeren het voorz. legaat in dank opnamen, in zulker voege, dat Hun Edelen tevreden waren de jaarlijksche renten daarvan aan haar uit te keeren, om bij dezelve de gestelde 'proven' daaruit verzorgd, of zulks gedaan te worden als Hun Ed. te raden zouden worden.