Verslag in de Magistraat van de beleediging van een Officier der Burgerwacht.(1)
Verslag in de Magistraat van de beleediging van een Officier der Burgerwacht.(2)
Bepalingen van de Magistraat op het tappen en aangaande de Zondagsrust.

8 november 1788. Verslag in de Magistraat van de beleediging van een Officier der Burgerwacht.(1)


 Door den President-Burgemeester, den heer Bresser werd aan de Edelachtbare vergadering kenbaar gemaakt, wat er in den nacht van den 1sten op den 2en November geschied was. Toen had de halfuurs/nachtwaker, Jan Stelling, aan Gerardus de Jong, officier van de Burgerwacht op het Stadhuis, kenbaar gemaakt dat op de stoep van den loods Leendert van den Reijden op het Maarland, een dronken man lag, die spectakel gemaakt had aan het huis van den chirurgijn Reijtenbach, mede op het Maarland wonende. De officier ging met twee schutters naar de aangewezen plaats en ontdekte dat die dronken man een zekere Harmanus Opperman was die in Den Briel slecht ter naam en faam bekend stond. Met geen mogelijkheid was de man wakker te krijgen, en nu deelt het verslag, dat zulk een aardig kijkje in het dagelijksch leven dier dagen geeft, mede, dat men alle moeite deed ' om den voorn. Hermanus Opperman in zijn kwartier of Logement bij Jan Siebers te bezorgen, alwaar men hem niet zonder groote moeite, en sterken tegenstand tot op de stoep kreeg.' Zijn kostbaas had echter geen zin om den beschonken man in huis te nemen, ' zeggende in presentie van hem, de Jong, en de andere daarbij zijnde personen dat hij, Opperman, de slechtste in Den Briel was.' De dronken man van zijn kant verkoos ook niet in huis te gaan, maar gaf te kennen dat hij de Jong eens alleen wilde spreken, die echter met hem niet wilde meegaan, maar verzocht in het publiek en zoo, dat alle menschen het hooren konden, te zeggen wat hij hem te vertellen had. En nu gaat het verslag aldus voort: ' dat voorn. Opperman naar hem, de Jong, toetredende, hem bij de haren greep, en tegen den stijl van de deur sloeg en vervolgens op de stoep en buiten straat sleepte, dat hij de Jong nadat hij door de omstanders ontzet was, ontdekte een groot deel van zijn haar kwijt te zijn, en een buil op het hoofd te hebben, alsook een krabbel onder de keel, dat dit afgeloopen zijnde, weder zelfs met Siebers alle moeite was aangewend, om hem in huis te krijgen, dat ook gelukte, maar Siebers pretendeerde dat de wacht daar zoolang tot assistentie wilde blijven totdat Opperman in het bed was, waartoe zij allen hun best deden.

8 november 1788. Verslag in de Magistraat van de beleediging van een Officier der Burgerwacht.(2)

Waarop Opperman, Reijtenbagh aanpakte en een stoot gaf met bijvoeging ( van zulke leelijke woorden, dat ze in een krant moeilijk weer te geven zijn; zoodat we hier slechts afschrijven "keeshond" laat mij los) dat hij de Jong, als officier begreep dat het nu lang genoeg getergd was, derhalve aan Siebers vroeg, dewijl Opperman nu in huis was, wat hij verder begeerde welke antwoord dat de wacht hem moest medenemen, waarop hij, de officier de Jong, hem door de wacht heeft laten uit het huis te halen en hem in de burgerwacht doen arresteeren, dat hiervan door den majoor Vogelzang, op ordre van hem officier, is kennis gegeven aan den heer President-Burgemeester, welke des morgens even voor negen uur ordre liet geven, om Opperman provisioneel te ontslaan.'
 De straf volgde op de misdaad. In de Vergadering verschenen, moest Opperman dit verslag hooren voorlezen, waarop hij, op de vraag, of dit alles zoo geschied was, het gewone antwoord van dronkaards gaf: dat hij zich van al het voorgevallene niets meer herinnerde. Hij kwam daar evenwel niet mee uit. Want onverminderd de staf die hem door de rechter opgelegd zou worden, werd hij door deze vergadering veroordeeld om 50 gld. boete te betalen, waarvan het derde gedeelte ten goed zou komen aan de leiden van de burgerwacht als een klein maar zoet vischje ter vergoeding van al de soeza die zij met Harmanus Opperman hadden gehad.

15 november 1794. Bepalingen van de Magistraat op het tappen en aangaande de Zondagsrust.


 De bewuste resolutie op het tappen luidt aldus: ' Ingevolge en ter voldoening van hun Edelachtbare resolutie van de 8ste dezer loopende maand, is aan alle tappers en tapsters, herbergiers en herbergiersters dezer stad expres hier toe voor hun Ed. Achtb. ontboden; en voor hun Ed. Achtb. verschenen zijnde, voorgehouden de publicatie terzelver dage gearresteerd, gepubliceerd, en geassigeerd tegen het tappen en gelagen zetten aan burgers en andere personen, later dan de klokke tien uur des avonds, en aan militaire personen later dan de klokke negen uur des avonds, en gelast, ieder in den haren, exact zorg te dragen, dat door hen daartegen niet werd aangegaan. Te welken einde aan ieder tapper, tapster, herbergier en herbergierster ter staande vergadering een exemplaar van dezelve publicatie is ter hand gesteld met last om dezelve publicatie op een bord geplakt in hun gemeene haarden op te hangen tot een ieders informatie, op poene van hierin manqueerende, dadelijk daarover serieuselijk te worden gecorrigeerd en gemuliteerd, te welken einde van tijd tot tijd van wegens hun Ed. Achtb. inspectie zal worden gedaan of, conform deze aanzegging, wel dezelve publicatie op een bord geplakt, in hun gemeenen haard is hangende en alzoo blijft hangen. En is dit alles aan alle tappers, tapsters, herbergiers en herbergiersters staande de vergadering aangezegd.'
  Op denzelfden dag werd -voor de zooveelste maal ! -weder een Resolutie genomen aangaande de Zondagsrust, aldus luidende:
  ' In achting genomen zijnde dat niettegenstaande diverse keuren en ordonnantiën tegen het lichtvaardig vloeken, en zweren en het ontheiligen van den sabbat met het koopen en verkoopen gedurende den Godsdienst verscheidenen personen binnen deze stad dezelven komen aan te gaan; Is na voorgaande deliberatie, goedgevonden en verstaan, de laatste, daar op gemaakte keure en ordonnantie, na het eindigen der vergadering, bij renovatie, weder te laten publiceeren en alom assigeeren, met bijvoeging van verbod om niet alleen des Zondags, gedurende den Godsdienst, maar ook gedurende de thans gehouden wordende bedestonden, de orders daarbij vermeld, in alle deelen na te komen en te observeeren.'