Allerheiligenvloed
Extra-belooning voor den Voorzanger
Zware storm en hooge watervloed
Hooge Watervloed.
Schoenen voor het Weeshuis verbeurdverklaard.
Besluiten aangaande baldadigheden der jongens en zeevarende luiden op het Hoofd dezer Stede.
Hooge watervloed
1 november 1570. Allerheiligenvloed
Neptunus en Boreas(1)
Boos in haer treecken,
Hebben op alle Heilige dach
Menigen dijck deursteecken.
Aldus schreef de Brielsche Secretaris Jan de Lange achter in het Brielsche Rechtsboek van Jan Mathijsen. En geen wonder dat hij behoefte gevoelde om dit ter eeuwiger gedachtenisse op te teekenen. Verschrikkelijk is die vloed geweest, waarvan de Spanjaarden spottend zeiden: zie-je wel dat de Geuzen er onder moeten, want zelfs alle heiligen hebben zich tegen hen verklaard.'
In Motley vindt men een prachtige beschrijving van deze vloed, die onder anderen in Friesland over de twintigduizend menschen het leven deed verliezen, waar, in het bruisende water, men de opgespoelde doodkisten naast het kind in den wieg zag drijven. Ook onze stad heeft zeer veel geleden door dien vloed. In het Memoriael Bouck van alrehande saecken der Stede van den Brielle,' het tweede deel, vindt men op den 11en November 1570, dat overmits den nood van de dijkage de armen niet hun wekelijksche uitdeeling in geld zouden hebben, en, nog op den 21 Maart 1571 dat Jan Joorisz. Burgemeester, zijn uiterste devoir en naarstigheid zou doen om te bekomen en op rente te ontvangen den penning 14 de som van 160 pond groot vlaams tot last van den H. Geest te Brielle, om die som te gebruiken ten behoeve van de dijkage en buitengewone onkosten die de H. Geest voornoemd ter zake van aanzienlijke doorbraak ('notoire inundatie') moet doen en lijden en dat voor den tijd van vier jaar.
De Noordenwind
6 november 1677. Extra-belooning voor den Voorzanger
Wie er van het Rampjaar af tot op bovengenoemden datum toe een druk leven had gehad, was wel de Voorzanger. Want om den nood der tijden en de bange dagen die men doorleefde, had men het noodig geoordeeld vele bedestonden te houden, die meestal door de week vielen. Daarom had Johannes Sum, voorlezer in de kerken dezer Stede, zich naar alle waarschijnlijkheid tot de Regeering gewend met het verzoek om hiervoor eenige vergoeding te mogen genieten. Ten minste in de vergadering van 6 November 1677 werd geresolveerd hem toe te voegen, voor eens, een som van vijftig gulden, 'ende dat voorens, een som van vijftig gulden, 'ende dat voordat deselven de voorseide Kerckendienst tsedert dan jare 1672 af tot nu toe op alle bedestonden ende bededagen extraordinaer heeft waergenomen, midts nochtans ende met de expresse stipulatie, dat de voors. Sum int toecomende soolange de voors. Extraordinaire bedestonden noch sullen werden gehouden niets meeder ofte verder daerover sal vermogen te pretenderen,'
13 november 1775. Zware storm en hooge watervloed
Het is wel aan den 14en November dat eenig en alleen de treurige eer van deze ramp toekomt, doch reeds den 13en November was de wind aangewakkerd tot een zwaren storm die in den nacht tusschen den 13en en 14en het water binnen ons zeegat joeg, zoodat des morgens om 8 uur, toen het hoogwater was, alles op het Maarland, Lijnbaan en Slagveld, reeds blank stond. Nu moest het water gaan zakken, maar de wind die hoe langer hoe meer naar het N.W. trok, hield het water in het zeegat zoodat het des middags om 4 uur, toen het laagwater was, slechts weinig gezakt was. Toen begon het onder den invloed van den bulderenden storm weer op te zetten, en des avonds om half 8 stond het reeds in de goot bij de Hoofdwacht. Nu zakte het eensklaps een halven voet. Verwonderd vroeg men elkander af wat er geschied kon zijn, toen men tot de ervaring kwam, dat het water de heinigen van het Slagveld had omgeworpen, door de boomgaarden was gevlogen, en, zich vereenigende met den vloed die bruisend uit de Kaaistraat kwam aanzetten, tegen de deuren van de Kaaistraat was gestort en die uit de hengsels gerukt had, hoewel die deuren te voren met mest en planken flink waren beveiligd omdat men van den morgen af tijd genoeg daartoe had gehad. Het water had echter de steenen uit de straat geslagen, was onder de zware vloeiplanken doorgedrongen en had zoo de poortdeuren en uit gelicht. De bewoners van de Kortegaarde (corps du garde) bij de Kaaipoort, hadden, even als die bij de Waterpoort, een toevlucht op de wallen gezocht, waar ook de boeren, die reeds hun vee uit de weide hadden gehaald, hun beesten hadden heengedreven. Dat het echter ook op dien wal niet veilig was, zal men zoo dadelijk zien.
Bij de hoofdwacht had zich een massa menschen verzameld om 't eigenaardig rijzen en dalen van het water te zien, dat onwillekeurig den indruk geeft van een ademhaling. Om half 9 stond het weer gelijk met de Hoofdwacht en begon bij de Verloren Kost over het Dijkje heen de Langestraat in te loopen. Doch het Dijkje zelf, dat men ook flink voorzien had, bleef behouden en daardoor de Langestraat voor ondervloeiing bewaard, vooral omdat het water niet over de Markt heen in die straat kwam. Want juist toen dit geschieden ging, zakte het weder een weinig. En dat wel omdat de dijk, die de buitenhaven van de Molenvest scheidt, doorbrak en het water met razend geweld in die Molenvest plofte. Nu had de steenen beer, die van het Kruithuisbolwerk naar de punt van den Zwartewaalschen dijk loopt, die watermassa te keeren. Die beer hield zich goed, maar de wal niet. Na eenige oogenblikken werd daar een gat ingeslagen en toen stortte eensklaps de geheele punt van dat bolwerk met een schilderhuis, dat daarop stond, en een boom in het schuimende water, dat aarde, boom en schilderhuis in dolle woede meesleepend, als een kokende zee in de Kaaivest viel. Hoe aanzienlijk die bres in den wal was, kan men opmaken uit het feit dat 6 menschen 3 maanden lang hebben moeten werken eer de sporen en van aan het Kruithuisbolwerk verdwenen waren.
Plaatsruimte ontbreekt ons hier om over nog meer rampen te vertellen. We hebben slechts vermeld wat we de volgende week voor het beschrijven van den noodlottiger watervloed van den 20en op den 21en November 1776 noodig hebben. Slechts zij hier nog als curiositeit opgemerkt dat een bewoner van een huis op het Einde bij de Verloren Kost (de tegenwoordige Wilhelminakade) in zijn keuken onder andere visschen een karper en een baars ving.
20 november 1776. Hooge Watervloed.
Meer over de gevolgen dan over dien vloed zelven zal ik thans spreken. Op Woensdag den 20en November was het gaan stormen. Om 7 uur 's avonds was het hoogwater, maar in plaats dat het water nu ging afvloeien, verhief het zich in de ebbe, en weldra stond de stad weer onder water. En als in het vorig jaar brak de dijk bij de buitenhaven door, weer stortte het water in de Molenvest, en weer werd de geheele punt van het Kruithuisbolwerk omgeslagen. Doch nu waren de beide doorbraken veel grooter dan in 1775. Het water stroomde naar het Nieuwland, waar de menschen hun huizen moesten ontvluchten, brak door in den polder Veckhoek waar het 7 voet hoog stond, en insgelijks vloeide de daaraangrenzende polder van Oud-Helvoet onder. We willen hier nu zwijgen van den angst der ingezetenen van den polder 'de Oude Gote', dat de boeren uit de verdronken polders den Hossenbossendijk zouden doorsteken om zichzelf van het water te verlossen, zoodat tot den elfden December toe eene militaire wachtpost op dien dijk aanwezig was; doch bemoeien ons slechts met de twee groote doorbraken bij onze stad.
Dat zag er lelijk uit. Want wat men ook deed, bij elken vloed liep het water uit de haven door het gat in den havendijk in de Molenvest en door de bres in den wal bij het Kruithuisbolwerk naar het Nieuwland, om bij elke eb weer lustig terug te vloeien, alle dammen en kistingen die men opgeworpen had medevoerende.
Ten einde raad besloot men op aansporen van een zekeren Cornelis Timmermans een schuit in de buitenhaven te doen zinken vlak voor het gat in den dijk aldaar. Bij eb had dit plaats, als de drommel was er een leger van werklieden bij om de overgebleven ruimte met zakken zand, kisten, planken en wat al niet meer aan te vullen; daar komt de vloed op..en zand en palen en planken slaan weg, de doorbraak scheurt grooter uit, en den volgenden dag wordt door den gewonen vloed het geheele gezonken vaartuig medegesleurd. Dat geschiedde op den 24en November.
Nu kwam het Gemeenland - dat is de Staat- ter hulp. Ongeveer 180 man werden bij dag en, soms bij toortslicht, des nachts aan het werk gesteld; de boeren brachten van alle kanten van Voorne mest aan, en den 3en December zou men aan het heien gaan en hoopte de bres gestopt te hebben. Doch in dienzelfden nacht spoelde de gewone opkomende vloed alles weg wat die 180 man gearbeid hadden. Thans zag men eerst ten volle in welk een verschrikkelijke weg indertijd in 1572 door Rochus Meeuwse voor het water was geopend, en dat het Nieuwland afhankelijk is van de wijze waarop Den Briel het water in de haven weet in toom te houden.
Het Gemeenland vatte nu duchtig de zaken aan. Tientallen schepen met rijs kwamen van Werkendam aan, en een stuk land werd gekocht in Zuid-Meeuwenoord omdat daar de slib zoo goed is. Dit stuk werd uitgegraven, meer dan 200 menschen werden aan het werk gesteld, den 10en December kon het werk in den havendijk beheid worden, doch het duurde nog tot den 11en Januari van het volgende jaar voor men daar in zoover gereed was dat men geen onmiddellijk gevaar meer had te duchten.
In dienzelfden tijd was men ook beziggeweest aan de bres in het Kruithuisbolwerk, die inderdaad reusachtige afmetingen had aangenomen, zoodat men veilig mag zeggen dat zoo goed as de geheele wal daar verdweenen was.
Ons leert deze watervloed het belang van den havendijk, en den weg die het water hier altijd volgt. Waar men 1791 de heiningen op het Slagveld door steenen muren heeft vervangen, een havendijk flink heeft versterkt en - naar het gerucht wil- nog meer versterken zal, daar zal het water zich bij een hoogen vloed wel minder verspreiden, maar dat moet daarvan het wiskundig gevolg zijn dat het in de straten onzer stad telkens hooger zal komen te staan.
22 november 1729. Schoenen voor het Weeshuis verbeurdverklaard.
Op den 23en October van het voorleden jaar 1728 geresolveerd en gepubliceerd zijnde, dat op de Catharina-markt binnen deze Stad niet zullen worden geadmitteerd eenige gemaakte schoenen en muilen komende uit de Langestraat, Baronie van Breda, meierij van 's -Hertogenbosch of uit andere plaatsen en dorpen buiten de provincie Holland, maar de invoer van dien wel scherpelijk daarbij is verboden, zelfs op poene van verbeurd verklaring ten behoeve van het Weeshuis; van welke resolutie en publicatie, ook alsnog op voorleden Zaterdag als wanneer eenige menschen uit de voorzegde kwartieren komende, alhier verzochten hun muilen en schoenen te mogen verkoopen, men niet is afgeweken; zoo heeft echter zeker persoon de stoutheid gehad om met een open mand op zijn rug zoodanige schoenen en muilen te loopen venten en verkoopen die dan eindelijk door een gerechtsbode en dienaar van Justitie is ontdekt, zoodat dezelve aangehaald en hem de schoenen en muilen, die hij bij zich had, afgenomen en in het Weeshuis zijn gebracht. Waarover gemelde persoon zeer doleerende is, en gratie verzoekende. Waarom de heer Burgemeester Gomar heeft goedgevonden en verstaan volstrekt niet af te wijken van de voorn. Resolutie en publicatie en de aangehaalde schoenen en muilen te houden voor verbeurdverklaard ten behoeve van 't Weeshuis. En is den boekhouder van 't Weeshuis last gegeven om den diender voor zijn waakzaamheid en gedane aanhouding te betalen 1 gulden 8 stuivers. In dit jaar viel de 22 november ook op dinsdag. Met de Catharina-markt, waarvan in bovenstaande Resolutie sprake is, wordt bedoeld de Brielsche jaarmarkt of kermis, die elk jaar op Sint-Catharinadag, dat is op den 25sten November, begon.27 november 1660. Besluiten aangaande baldadigheden der jongens en zeevarende luiden op het Hoofd dezer Stede.
Wanneer bijgeval een Briellenaar uit de vijftiende of zestiende eeuw op den huidige Havenhoofd de goede stad zijner geboorte kon worden ingeleid, zou hij zeker denken dat er de vreeselijke ziekte zijner dagen heerschte, die hij 'de Gave Gods' noemde omdat hij liever niet den naam van de Pest uitsprak. Wanneer toch in dien ouden tijd de Pest heerschte, werden veelal voor de deuren en vensters van de besmette woningen planken gespijkerd, waarop een rood kruis werd aangebracht. Dat geverfde kruis ontbreekt thans Goddank aan de woningen; maar wie tegenwoordig het Hoofd bezoekt moet aanschouwen hoe daar, van verscheidene leegstaande woningen, de venters met planken dichtgespijkerd zijn. Dat komt omdat baldadige jongens er hun genoegen in hebben gevonden om de ruiten kapot te gooien, aardigheden die niet alleen op het Hoofd en Den Briel geschieden, maar die zelfs in de groote steden op ledigstaande panden worden toegepast.
Ook in vorige eeuwen had men in Den Briel last van de vernielzucht der jongens, en vooral van schippers- en visschersjongens, terwijl wat oudere maats zich ook niet onbetuigd lieten als het baldadigheden betrof. De Magistraat had daar eindelijk genoeg van, en nam den 27en November 1660 een scherpe Resolutie om deze kwajongensstreken tegen te gaan. We Willen deze Resolutie woordelijk weergegeven; veel andere stadhuiswoorden dan raseeren en ontrampeneeren komen er niet in voor, en men begrijpt licht dat zij beide andere woorden zijn - toenmaals gaarne gebruikt- voor vernielen. Alleen heb ik telkens de v voor de u geschreven, omdat vormen als deselue en aen den lijue voor deselve en aen den lijve een weinig te ongewoon van vorm zijn voor den gewonen courantenlezer.
'Gedelibreert synde', -dus luidt de bewuste Resolutie- 'alsoo niet jegenstaende de militaire nagtwagt die nu eenige tyt herwaerts es gehouden op 't Hooft dezer Stede, de huysinge ende clapbanck aldaer staende seer wert geraseert, ontrampeneert ende beschadigt met het opbreecken van de steenen ende anders. Soo es goet gevonden en geresolveert aldaer te doen stellen een pael met een geschreven bordt waerbij sal werden bekent gemaekt dat degene die bevonden sal werden, de voors. Huisinge ofte aldaer eenige steenen te hebben opgebroocken dat deselve daerover anderen ten exemple aen den lijve sullen werden gestraft, ende alsoo bevonden werd 't selve meest te werden gepleegt bij de seevasrende luyden ende jongens dat deselve insgelijcx daer over aen den lijve sullen werden insgelijcx daer over aen den lijve sullen werden gestraft, ende dat de schade van dyen aen hen luyder styerluyden sal werden verhaelt.'
29 november 1769. Hooge watervloed
Deze vloed was wel niet van dien aard als de watervloeden die in 1775 en 1776 plaats hadden, en waarvan wij in dezen kalender reeds een kort overzicht gegeven hebben, doch hij mag wèl mede tellen onder de overstroomingen die waard zijn opgeteekend te worden.
'Tusschen den 29en en 30en November van den jare 1769'- aldus een tijdgenoot- 'kreeg men alhier een meer dan gewonen hoogen watervloed. De wind woei hevig uit het Noord-Westen, echter zoo niet dat men hem een formeelen storm kon noemen, en evenwel vloeide het water zoo uitermate hoog als het in geen dertig jaar geweest was. Behalve dat zoo hier en elders zeer veel huizen onderliepen, zoo liep het water in de stede Heenvliet over de markt heen en stroomde den Kerkweg af, en de nieuw bedijkte Adrianapolder bij de haven van Goedereede innundeerde op zes plaatsen te gelijk, waardoor een menigte zand in dien polder is geworpen, en de schade hierdoor veroorzaakt, is naderhand voor omtrent 37000 gld. weder hersteld geworden.
'Omtrent deze herstelling lezen wij, dat deze den 5en April 1770 besteed werd. Doch de eigenaars hielden dit werk aan zichzelven toen bleek dat de minste inschrijving 41,000 was. Den 5en Mei werd het weder besteed en toen door J. van Briene aangenomen voor 23,700. De polder was den 29 Sept. 1769 in kaart gebracht door den landmeter J. Van Weel.