Begin van den zoogenaamden Brielschen Oorlog.
Beslissing over het slaapgeld der Engelsche soldaten.
Bepaling nopende het Voermangilde.
10 mei 1661. Begin van den zoogenaamden Brielschen Oorlog.
Op den 10en Mei 1661- aldus verhaalt Alkemade' - 'zijn de Brielsche Marktschepen en alle andere Brielsche schuiten te Rotterdam aan ijzeren ketenen vastgelegd, ter oorzake de nieuw aangestelde loodsen in Den Briel aangehouden en hun schuiten of booten aan de ketting gelegd waren. Daarna is bij onderling verdrag verstaan, dat de nieuwe loodsen binnen de Stad Brielle zullen moeten wonen; waarop de Brielsche schuit op den 21sten Mei weder afgevaren is. Doch naderhand zijn nog eenige moeilijkheden en aanhalingen geschied. En werden deze onlusten tusschen de Gebuur-steden, gemeenlijk genaamd: de Brielsche Oorlog.'15 mei 1674. Beslissing over het slaapgeld der Engelsche soldaten.
Den 19en Maart 1674 (of volgens Ouden Stijl den 9en) was de vrede met Engeland gesloten, welke gebeurtenis met zeer veel vreugde gevierd werd, wat niemand verwonderen kan die weet wat ons land juist door den oorlog met Engeland in het Rampjaar geleden heeft. Er kwamen nu weer Engelsche soldaten in dienst van den Prins van Oranje, en zelfs kreeg Den Briel een Engelsch garnizoen. Dat heeft heel wat zorg gegeven aan de regeering dezer Stad, die, om mogelijke ontevredenheid dier lastigen Engelschen te vermijden, voor een goed onderkomen wilde zorgen. 'In competenten getale binnen gestaan zijnde'- aldus leest men in de Magistraatsresolutie van 15 Mei 1674- 'veel vrouwspersonen, burgeressen en inwoonsters dezer Stede, die in haar huizen hebben gelogeerd de ingekomen Engelsche soldaten, verzoekende betaling van het logiesgeld dier Engelschen, die haarlieden niets daarvoor geliefden te betalen, hetgeen zij, supplianten, door haar onvermogenheid niet langer kunnen crediteeren of te buiten staan; waarop gedelibereerd zijnde is goedgevonden tot aanmoediging van de burgers en opdat zij de nog inkomende Engelsche soldaten des te beter zouden mogen komen in te nemen, aan de voorzeide slaapvrouwen toe te zeggen en te betalen twee stuivers per week voor ieder soldaat, boven het ordinair servies (geld), alleen voor slaapgeld. Edoch dat deze soldaten daarenboven zullen moeten betalen wat zij (aan) linnen, vuur, licht, wasch en anders komen te genieten.'Om dit secuur te doen, moest de Secretaris behoorlijk aanteekeningen houden van die soldaten en van hun logies. Den 7en Juli werd besloten 'toekomenden Dinsdag'aan die slaapvrouwen het geld uit te betalen. Maar mocht dit al niet door die vrouwen versmaad worden, heel veel plezier hadden de ingezetenen van die Engelschen niet. Nu leest men van deze dan van gene klacht, tot den 17en November van dat jaar de regeering der Stad zich in wanhoop tot den Prins wendde, die zich in het leger voor de stad Grave bevond, en hem verzocht 'ontlasting van het Engelsch Garnizoen en in de plaats daarvan eenig Nederlandsch Garnizoen'. Nog den 24sten November leest men, dat Dirck Egmont in de Langestraat zoo'n last van de Engelschen had, die in een huis woonden waarvan een deur op de stadsgang uitkwam, dat hij verlof krege om die deur doodeenvoudig toe te spijkeren. Den 19en Januari 1675 vernemen we echter dat 'alzoo de Stad tegenwoordig van haar verkregen garnizoen en bezetting ten eenenmale is ontbloot' besloten werd 'dat, om nog een wakend oog te houden over de securiteit van deze Stad, en de zwakke burgerij, zooveel mogelijk is, te verschoonen, alle nachten een compleet kwartier schutters op 't Stadhuis zal waken.' Zoo ook zouden de poorten door deze schutters bewaakt worden. Maar...last van die Engelschen soldaten bleef men tòch houden, al was het nu van de zieken en stervenden die in het Pesthuis lagen, vanwaar zij den 9en Febr. 1675 naar het Gasthuis werden getransporteerd. Dit is wel te noteeren, want, als ik me niet zeer vergis, heeft de Stedelijke regeering in Napoleons tijd aan de Fransche regeering hoog en duur bezworen, dat het Gasthuis nooit voor zieken diende noch gediend had. Een leugentje om bestwil dus om van de troep zieke Fransche soldaten af te komen. Doch, we hebben nu met de Engelsche soldaten en wel van 1675 te maken. Dat ze ernstig ziek waren- wat trouwens nog al het geval is geweest bij de Engelsche en Schotsche soldaten, die uit de hooge streken van hun vaderland in onze lage landen werden overgeplaatst, en die bovendien een zeer ongebonden leven leidden, wat óók te noteeren is, want onze stad is er door op de bureaus ten onrechte in den roep van ongezond te zijn gekomen- bewijst wel een ordonnantie van 9 Febr. 1675, waarbij aan Cornelis Brant en Joris van der Cude 151 gld. werd uitbetaald voor het maken van 56 doodkisten 'voor eenige gestorven Engelsche soldaten.'24 mei 1664. Bepaling nopende het Voermangilde.
Dat de lieden die een wagen noodig hadden in den ouden tijd niet met bekwamen spoed bediend werden, en dat het gildewezen voor de vrijheid van beweging der burgers niet zeer bevordelijk was, wordt voldoende door de volgende Resolutie aangetoond: 'Gedelibereerd zijnde op het verzoek en te kennen geven van den Hoofdman en de Dekenmeesters van 't Voermansgilde binnen dezer stede, is goedgevonden en geordonneerd dat zoo wanneer om eenige vrachten zal zijn geworpen ( want de Voerlieden smakten of dobbelden erom wie het vrachtje zou hebben) een glas of zandlooper van een half uur zal worden gekeerd, en dat degene die de voorzeide vracht zal hebben gewonnen, binnen het voorzeide half uur met die vracht zal moeten afrijden, of bij gebreke van dien, dat hij van die vracht zal zijn vervallen en daar om weder zal worden gesmakt bij degenen die met hun wagen en paarden klaar staan en bij de hand zijn; dat mede van nu voortaan geen ingezetenen eenigen wagen, paard of paarden zullen mogen leenen aan of ten dienste van eenige passagiers, kooplieden of andere personen van buiten komende, hetzij van qualiteit of conditie zij zouden mogen zijn, uitgenomen alleen de eene vriend of burger aan den anderen, op boete van wie contrarie van dien bevonden werd gedaan te hebben, telkens daarover verbeuren zal een boete van dertig stuivers.'