Resolutie naar aanleiding van de dieverijen in tuinen
Maarten Harpertszoon Tromp in de Sinte-Catharina te Brielle gedoopt.
Onlusten tusschen deze stad en Dordrecht over het stapelrecht.
Volgens begeerte van Prins Willem den Derden moeten zes voerlieden naar het leger.
Aanvulling van de Resolutie op de portiers en de straatverlichting
Voor het eerst in de Brielsche Resoluties Zijn Hoogheid voor Zijn Excellentie gebruikt.
Verbod nopende baldadigheden op den derden Pinksterdag
1 mei 1734. Resolutie naar aanleiding van de dieverijen in tuinen
Op namiddag van bovengenoemden dag waren de leden van de Magistraat bij elkaar gekomen. Van deze vergadering staat het volgende genotuleerd: 'Cornelis Pols en Johannes Soet, eigenaars van zekere tuinen, liggende op het Slagveld binnen deze Stad, aan ons geklaagd hebbende dat zij zeer grooten overlast kwamen te lijden, doordien ondeugende, baatzoekende en moedwillige personen zich niet ontzagen bij nachten en ontijden over slooten en heiningen te komen in hun tuinen, en hun aardvruchten en andere zaken daaruit te stelen en verder te ru?neren, waarom zij verzochten dat Hun Ed. Achtb. Zoveel mogelijk daarin wilden voorzien en aan hen permitteeren om, indien zij zoodanige moedwillige personen konden atrappeeren daarop te mogen schieten, mitsgaders voetangels en sprenkels in hun tuinen te mogen leggen. Waarop gedelibereerd zijnde is goedgevonden en verstaan aan de voormelde personen te accordeeren en permitteeren, om niet alleen voetangels en sprenkels in hun tuinen te mogen leggen, maar ook op zoodanige moedwillige tuindieven en roovers te mogen schieten conform de plakaten.3 mei 1598. Maarten Harpertszoon Tromp in de Sinte-Catharina te Brielle gedoopt.
In het doopboek, dat gelukkig nog in het Stedelijk Archief bewaard is gebleven, vindt men dit aldus omschreven: ' Het kindt van Herpert Maertenszoon, ende Jannetgen Barents, Getuyghen: Lambrecht Maertenszoon, Jochum Corneliszoon, ende Machtelt Maertens, het kint heet Maerten."8 mei 1521. Onlusten tusschen deze stad en Dordrecht over het stapelrecht.
De regeering der stad Dordrecht beweerde 'dat alle schepen, aankomende uit zee, met hun volle lading gehouden waren te Dordrecht op te zeilen, en aldaar stapel te houden.'De regeering van Den Briel echter hield daartegenover staande, dat de stad Brielle altoos geweest was 'een vrije en zeer welvarende Koopstad, als gelegen aan de mond van de Maas en op den waterstroom de Goote, die een doortocht verstrekte voor alle schepen door de stad, uit de Maas, midden door den Lande van Voorne, naar Zeeland, en Vlaanderen; aan en in welke stad allerhande zeeschepen en vaartuigen gewoon waren met hun volle lading te komen, te lossen, te laden, te koopen en te verkoopen, zonder eenige verhindering, met vrijdom van tollen, en andere ongelden.' Daar men met die bewering niet verder kwam, besloot de regeering der stad Dordrecht door te tasten. Ze liet eenige schepen, die geladen voor Den Briel lagen, aantasten, en 'in weerwil der Schipperen,' naar Dordrecht opzenden. 'Waartegen die van Den Briel eenige Dordtsche schepen, in hun haven liggend, aangehouden hebben.' 'Daarop, die van Dordrecht eenige welbemande, en als ten oorlog toebereide schepen naar Den Briel hebben afgevaardigd, zoo om hunne aangehouden schepen weder te bekomen, als om te beletten het inloopen van volgeladen schepen binnen de haven van Den Briel; wordende, zoo uit deze schepen, als uit het geschut dat de Briellenaars aan de Poort langs de haven geplaatst hadden, van weerszijden met een zoo groote hevigheid geschoten, dat eenigen gekwetst zijn geworden.' Nu wendden zich niet alleen de schippers der naar Dordt opgebrachte schepen, maar ook de regeering van Den Briel tot het Hof van Holland, dat den 8en Mei twee afgevaardigden zond om de zaak te onderzoeken. Hiermede begon het groote proces waarover zich in het Brielsche Archief nog een zeer merkwaardig Manuscript bevindt, behelzende de verklaringen der verschillende getuigen, allerbelangrijkst voor de kennis van de vroegere toestanden dezer stad. Zoo had Cornelis Lambrechtsz. Praat, schipper en poorter te Zierikzee, van zijn vader gehoord, en bevestigde daarmede de onder eede afgelegde verklaringen van andere getuigen, 'dat de Stede van den Brielle plag te wezen een vrije, levendige koopstad daar vele kooplieden van Noorwegen en oosterlingen met groote hoopen schepen plachten te komen, zoodat hij vertelde dat hij op een tijd voor en in En Briel geteld had wel driehonderd schepen, zoowel buizen als andere koopvaarders maar meest buizen, alzoo al de buizen die nu (dat wil zeggen in 1521) van Rotterdam en Delfshaven varen, plachten te varen van Den Briel, mitsdat als toen in Den Briel waren twee gaten en diepen waardoor men mocht in en uit de zee komen, te weten: de Maas en de Goote, zoodat men met alle winden daar uit en in mocht.' Het is wel jammer dat genoemd Handschrift voor de meesten mijner stadgenooten een gesloten boek zal blijven; maar wat is hier aan te doen? Omtrent dan afloop van dit proces meldt Van Alkemade, dat 'alle deze onlusten, processen, oneenigheden, en daar uit gevolgde verwijderingen en handdadigheden, niet alleen tusschen deze steden Dordrecht en Den Briel, maar ook vele andere steden uit hoofde van dit stapelrecht ontstaan zijnde' ten slotte Keizer Karel V bewogen hebben in 1547 een Ordonnantie uit te vaardigen uit 75 artikelen bestande, waarbij de zaak voorgoed geregeld en de verhouding tusschen Dordrecht en verscheidenen andere steden nader bepaald werd.17 mei 1674. Volgens begeerte van Prins Willem den Derden moeten zes voerlieden naar het leger.
De Magistraatsresolutie hierover luidt aldus: 'Zijn binnen ontboden en verschenen het geheele gilde van de voerlieden binnen dezer Stede, dewelke voorgehouden zijnde de begeerte van zijne Hoogheid den Heere Prins van Oranje, bestaande daarin dat ten getale van zes wagens moeten worden verzonden in dienst van den lande naar het leger te Bergen op zoom, hebben eenigen van hen daar zin in gehad en anderen niet, en opdat daarin met orde en buiten eenige klacht werde te werk gegaan, zoo is goedgevonden dat onder het Gemeene Gilde daartoe hij briefjes blindelings zal worden geloot. Hetwelke gedaan zijnde, zoo is deze dienst te beurt gevallen aan Maerten Arensz. Van Rugge, Jacob Leendertsz. Den Boer, Ary Willemsz. Wijngaert, Franck Gerritsz. Van Adrichem, Cornelis Willemsz. Wijngaert en Jacob Claesz. Boutkanne, dewelke zijn geordonneerd zich aanstonds vaardig en gereed te maken en, zoodra mogelijk is, ter bestemder plaatse te vertrekken. 'Is voorts de voorzegden voerlieden bij provisie tot hub equipage en uitrusting toegevoegd een som van twintig gulden.' Lezen we in bovenstaande Resolutie dat zich de Prins in het leger te Bergen op Zoom bevond, een latere Resolutie, die van den 8sten September 1674, leert ons dat we te dezen opzichte met een schrijffout van den Stadhuisklerk zullen te doen hebben,en dat bij Bergen in Henegouwen bedoeld zal hebben, iets wat meer met de waarschijnlijkheid overeenkom, omdat we toch weten dat de oorlog in 1674 werd gevoerd in de Zuidelijke Nederlanden. Laatstgenoemde Resolutie deelt mede dat Jacob de Boer een som van 50 pond werd toegestaan als schadevergoeding voor een paard 'bij hem kwijt geworden zijnde in 's lands deinst in het leger van dezen Staat, alstoen nevens de geconfedereerde legerscharen van den Keizer en Spanje tegen de Koning van Frankrijk, liggende omtrent Bergen in Henegouwen.' Er waren meer kwesties aanhangig geweest over die gepreste voerlieden. Zoo had reeds der 19en Mei 1674 Jacob Claesz. Boutkanne geprobeerd om 'zwarigheid te moveeren' in het gaan naar het leger. Doch het antwoord der Heeren luidde, 'dat hij zulks zal hebben na te komen of een ander persoon in zijn plaats leveren, of bij nalatigheid van dien dat zulks tot zijn koste en laste zou worden gedaan.'22 mei 1677. Aanvulling van de Resolutie op de portiers en de straatverlichting
Op de bovenstaande datum werd aan de wachters bij de vier Brielsche poorten bevolen om des avonds niet maar zoo dadelijk de poort te sluiten, doch eerst bedaard af te wachten tot de poortklok had opgehouden. Was dit bevel een aanvulling van een Resolutie van 27 Aug. 1676, het is niet oneigenaardig met deze laatste Resolutie kennis te maken. Men had toen namelijk gesproken over het aansteken van de straatlantaarns, of, zooals men toen gewoon was te zeggen: de straatlampen. Voor dat aansteken moest 73 gld. 8 stuivers uitgetrokken worden. Na deliberatie kwam men tot het volgende kostelijke besluit: 'dat alle Zondagen en Bededagen, zoo voor- als namiddags, zal worden gesloten de Waterboom en vier Stadspoorten, met permissie aan de respectieve portiers van alle uit en in de Stad willende personen, door het klinket te mogen doorlaten, mits dat dezelven zullen betalen tot poortgeld één stuiver; en ook alle wagens uit en in de Stad moetende wezen, zes stuivers. Van welken stuiver en schelling zal worden genoten een vierdepart voor de portiers, en de drie kwarten voor de Stad, die alle weken getrouwelijk bij de portiers aan den Burgemeester-Thesaurier zullen worden betaald tot verval der voorzeide kosten. Edoch worden bij deze van het Poortgeld vrijgesteld alleen de buiten- en binnenloodsen, die de uit- en inkomende schepen moeten komen te dienen. ' Op den zondag des morgens of des middags een wandeling te doen buiten de stad, of een toertje te maken naar Oostvoorne, was dus in die dagen een zeer verdienstelijk werk. Men hielp er de Stad mee aan de verlichting, wat in het algemeen niet van alle wandelaars uit onzen tijd te zeggen valt.29 mei 1637. Voor het eerst in de Brielsche Resoluties Zijn Hoogheid voor Zijn Excellentie gebruikt.
Op den 8sten Februari 1635 was er tusschen het Koninkrijk Frankrijk en de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden een aanvallend en verdedigend verbond gesloten, dat, in het vervolg, zeer noodlottig voor ons Vaderland is geworden, maar desniettemin als een meesterstuk van de staatkunde van den kardinaal de Richelieu mag worden beschouwd. Richelieu was er zeer voldaan over, en gaf den Franschen gezant in Den Haag last om den Prins van Oranje, aan te spreken met den titel van Son Altesse. Sedert dien tijd veranderde de titel van zijne Excellentie, waarmede men in Nederland gewoon was de Prinsen van Oranje aan te spreken, in Zijn Hoogheid. Officieel komt, dit voor zoover mij bekend is- eerst den 29en Mei 1637 in Den Briel voor. Het betreft de volgende Resolutie, die zoo goed als onleesbaar is, omdat de bladen van dit deel zeer door den lek geleden hebben. Ik stel er daarom dubbel prijs op deze Resolutie te copieeren. 'Is goedgevonden en geresolveerd dat men Zijn Hoogheid den Heere Prins van Oranje, zal communiceeren in wat constitutie en gesteldheid de Stad van den Brielle tegenwoordig door het maken van de fortificatie gesteld is, wat de vijand te water tot afbreuk van verscheiden kwartieren van dezen Staat dagelijks practiseert en in het werk gestelt, en derhalven Zijn gemelde Hoogheid te verzoeken dat hem gelieve, zoo wanneer het leger zal komen trekken te velde, de Stad van den Brielle met behoorlijk garnizoen bezet te laten, ten einde dezelve voor surprise mag worden verzekerd. En zijn hiertoe gecommitteerd op den 7en Juni 1637 de burgemeesters Van der Goes, Commersteijn en Van Dijk. Zooals men weet, was toenmaals Frederik Hendrik stadhouder.31 mei 1659. Verbod nopende baldadigheden op den derden Pinksterdag
In vroegere eeuwen waren de drie Vendels van de schutterij gewoon om op den derden Pinksterdag een wapentocht te doen door en buiten de stad, waarbij het nogal vroolijk toe kon gaan, vooral omdat er in Den Doele een gezellige bijeenkomst werd gehouden, waar de stad tracteerde op wijn en eenige vaten zwaar en licht bier. Dat het op dien Pinkstertocht nog al eens ruw kon toe gaan, bewijst de volgende Magistraats-Resolutie: 'Is goedgevonden wederom bij publicatie te doen verbieden het schenken op den derden Pinksterdag aan de schutterij, alsmede het snijden, scheuren en raseeren van de boomen op de wallen, en het uitsnijden van de borstwering aldaar.' Op denzelfden dag werd echter besloten aan de schutterij het gewone aantal van drie bossen lonten toe te staan, want het schieten was een van de voornaamste aantrekkelijkheden van zulk een Pinkstertocht.