Kwestie over een huwelijk met een meisje van nog geen veertien jaar.
De Regeering der Stad Brielle aanvaardt het testament van Merula.
Er wordt bepaald dat er zich altijd een veerman bij de Hooge Brug moet bevinden.

6 maart 1610. Kwestie over een huwelijk met een meisje van nog geen veertien jaar.


 Daar hadden zich voor den trouw opgegeven Jacob Henricxsz., zeilmaker en Arenken Aertsdochter, toen de Heeren verstonden dat niet alleen de bruid nog geen veertien jaar oud was, maar ook volstrekt geen lust had om te trouwen. Ze was daar onwillig toe, werd gezegd. Doch ook de moeder van de bruigom had er niemendal mee op. Het een en ander deed de Heeren besluiten om Jacob Henricxsz.,op het Stadhuis voor zich te ontbieden, waar zij hem zeiden dat er van zulk een huwelijk niets komen kon, en meteen gaven zij hem het geschenk terug dat hij aan zijn bruid vereerd had, n.l. een korfje met een jacobuspenning erin. Ook verzochten zij hem aan de bruid den sluier terug te geven, die hij zeide van Anneken 'op trouwe' te hebben gekregen. Maar Jacob Henricxsz., weigerde het korfje mee te nemen. Hij had waarschijnlijk hoop dat de tijd, die alle kwalen heelt, zijn bruid wel eenige jaren ouder zou maken, en als dan de wederzijdsche geschenken terug waren gegeven, was de kans voor een huwelijk verkeken, dan was het af.
 De Heeren hadden het echter anders besloten. Het moest af tusschen beide jonge menschen. En daarom werd de bode gelast het korfje met den jacobuspenning bij Jacob's moeder te brengen. Hoewel die moeder niet erg voor het huwelijk was schijnt zij toch niet gewild te hebben dat alle banden afgebroken werden, en daarom zei ze dat ze het korfje niet aan wilde nemen. De bode antwoordde dat ze dat zelve maar weten moest, en zette eenvoudig het korfje voor haar deur neer. Als hij er maar af was. Alleen moest hij nog in naam der Heeren den sluier terug eischen om dien weder aan Anneken ter hand te stellen. De moeder antwoordde dat haar zoon niet thuis was. En toen is de bode heengegaan en heeft zijn boodschap aan den Heeren overgebracht.
 Hoe streng men overigens naar het meer of minder gepaste van een huwelijk keek, blijkt wel uit een Res. Mag. van den 1en Febr. 1655. Toen wilde Elsken van Niedenraet huwen met een soldaat, die Hans Lever heette, hoewel ze slechts zes weken weduwe was. Niet alleen werd haar dit verboden, maar werd haar kort en goed aangezegd dat zij de stad had te verlaten, zoodra het open water was. Op denzelfden dag werd het besluit genomen, dat voortaan geen weduwen mochten trouwen, tenzij ze minstens vijf maanden in den staat van weduwe verkeerd hadden.

15 maart 1552. De Regeering der Stad Brielle aanvaardt het testament van Merula.


 ' Engel Merula- aldus verhaalt Alkemade- 'had zich met zijn boven genoemden uitersten wil begeven bij de Regeerders van de Stad Brielle, verzoekende op hen en hun nakomelingen, dat ze geliefden toetestemmen en aan te nemen, om toezieners en bewaarders te zijn van al zulke aalmoezen en godvruchtig werk der barmhartigheid, als hij gesticht had binnen Den Briel, met aanwijzing van zekere landen, renten, huizingen en erven tot behoef der arme weduwen, weezen en onmnoozele en miserabele personen.
 Waarop genoemde Regenten bij Acte van den 15en Maart 1552 Ouden Stijl, verklaren: dat, dewijl zij zijn genoemden eisch, verzoek en begeerte eerlijk en goddelijk bevinden, en tot Gods eer en welvaren der arme miserabele personen gericht te zijn, dezelve in den naam Gods aannemen, er in toestemmen, en beloven voor zich en hunne nakomelingen hetzelve te onderhouden en volbrengen, naar uitwijzen van zijn voornoemden uitersten wil.'

22 maart 1644. Er wordt bepaald dat er zich altijd een veerman bij de Hooge Brug moet bevinden.


 In vroegere eeuwen voer de veerschuit naar Rozenburg altijd van het Maarland af. Op bovengenoemden datum, toen het veer wederom voor den tijd van een jaar werd ingehuurd en wel op de oude pacht van 200 carolusguldens, werd er tegelijk als conditie gesteld, dat zich 'binnen dezer Stede op de Hooge Brug, en op Maassluis onder de bank aan den dijk, altijd een van de veerlieden zal laten vinden en zich gereed houden om de passanten te dienen.´
 Het Maarland heeft echter een Noord- en een Zuidzijde. De vraag doet zich voor van welke zijde de veerboor afvoer, wat geen overschillige zaak voor de herbergiers van welke zijde dan ook, kon zijn. Den 23sten September van het jaar 1634 nu was door de geburen van de Zuidzijde van het Maarland daartoe een request gepresenteerd aan de regeering der Stad, welke daarop gunstig beschikt had. Om de een of andere reden echter hadden de veerlieden van het jaar 1644 er geen lust meer in om van die Zuidzijde af te varen, en zoo wendden zich den 2en Juli van dat jaar alweder die geburen tot de Magistraat, die hierop de veerlieden leelijk op hun vingers tikte en hen bedreigde telkens met een boete van zes carolusguldens als ze niet van de Zuidzijde van ´t Maarland afvoeren.
  In den zomer van het jaar 1656 was het echter alweer mis met dat afvaren van de veerboot. Toen besloten ´de herbergiers, de winkeliers en andere geburen, wonende aan de Zuidzijde van ´t Maarland,´ zich nogmaals tot de Stedelijke regeering te wenden, die hun verzoek wederom gunstig opnam en het besluit nam dat de veerschuiten vooralsnog van de oude plaats zouden blijven afvaren.
  De Hooge brug heeft, zooals men weet, gelegen ten O. Van het tegenwoordig ijzeren brugje, dat in den volksmond den niet geheel onverdienden naam van Kippenbrug gekregen heeft.