De President van den Brielschen Raad deelt mede dat hij de Stassart gecomplimenteerd heeft.
De Magistraat weigert aan den Krijgsraad om een soldaat aan de galg op Meeuwenoord op te hangen.
Brief van Stads-Gedeputeerden over valsche assignaten.
Klacht van dr. Swinas over aanranding
Verzoek aan den Koning om uitstel van het aanleggen eener nieuwe begraafplaats.
Witte Corneliszoon de With geboren.

1 maart 1911. De President van den Brielschen Raad deelt mede dat hij de Stassart gecomplimenteerd heeft.

  Een der meest gehate figuren uit den Franchen tijd is, na de Celles, wel de Stassart geworden, die door Napoleon aangesteld was tot Prefect van het Departement van de Monden der Maas. Door de onbarmhartige wijze waarop hij de wet op de conscriptie toepaste, door zijn zorg om Napoleon steeds nieuw 'kanonnenvlees' te bezorgen, heeft hij den vloek der Nederlanders op zich geladen.
  In de bovenvermelde Raadsvergadering deelde de President mede, dat hij op zijn reis naar Amsterdam vernomen had hoe verscheidenen Maires van steden uit dit Departement hunne opwachting gemaakt hadden bij den nieuw aangestelde Prefect, en daarom had hij op eigen gelegenheid maar een tocht naar Den Haag ondernomen om den machtigen man, de nederige hulde van Den Briel te brengen. Tevens kon hij mededeelen dat hij 'door zijn Ed. op de gracieuste wijze was ontvangen.'
  Natuurlijk keurde de Raad deze handelswijze goed, en stond hem voor deze meerdere reis- en teerkosten zestien gulden toe.

  In de notulen dezer vergadering komen nog enkele Brielsche namen voor, die ik hier even wil afschrijven. Zoo kreeg Commer Luyendijk een vergoeding van 90 gld. voor de schade die de paarden der Fransche huzaren aan zijn weiland hadden toegebracht. Tot zakkendrager werd, in plaats van Jacob Kleyn die overleden was, Arnoldus Van Lier benoemd; Andries Van Beesten werd Boomsluiter, en tot keurmeester van de Vischmarkt werd Jacob Staalman aangesteld, in plaats van Harpert van Hennik, die overleden was. Willem van der Heyde van Rotterdam, verkreeg als verver het poorterschap, en insgelijks George Alexander Murk als zeilmaker; Cornelis de Bruyn en Ary Van Heusden kregen acte en patent als tapper, terwijl acte van readmissie werd toegestaan aan Lydia Van Hulst, eerder getrouwd met Leendert Beijer voor haar kind Maria Van Woensel alhier geboren, ten behoeve van die van Zwartewaal.

8 maart 1702. De Magistraat weigert aan den Krijgsraad om een soldaat aan de galg op Meeuwenoord op te hangen.

In dezen kalender hebben wij op 16 Januari 1700 reeds gesproken over de galg op Meeuwenoord. We hebben er toen op gewezen dat de terechtstelling elders geschiedde, doch dat daarna het lijk aan gemelde galg werd opgehangen, om door de lucht verteerd, of zooals met dat zeer eigenaardig noemde, geconsumeerd te worden. Den 8en Maart van het jaar 1702 kwam het verzoek van den Krijgsraad in, dat zekere soldaat die nu gevangen zat, en van wien gezegd werd dat hij driemaal van zijn compagnie was weggeloopen, waarom hij de sententie des doods ontvangen had, 'op Meeuwenoord gehangen en van de lucht aldaar geconsumeerd mocht worden; waarop gedelibereerd zijnde, is goedgevonden om verscheidene redenen, en ook dat zulks buiten memorie van menschen is dat militaire terdoodgebrachten van de lucht alhier geconsumeerd, het verzoek niet toe te staan, maar hetzelve op het beleefdst te excuseeren.' Bijna veertig jaar later, den 13en Febr. 1739, deed zich een dergelijk geval voor. Een soldaat was ter dood veroordeeld om desertie, en daar zulks aan de orde van den dag was, wilde de Krijgsraad niet alleen dien armen zondaar gehangen hebben, maar ook tot afschrikkenwekkend voorbeeld het lijk op Meeuwenoord aan de galg doen verteren. Dubbel was het verzoek, want in de eerste plaats wilde men de stad het schavot en de gewone galg, en daarna de galg op Meeuwenoord hebben, of anders het recht om, 'op die ordinaris gerechtsplaats van de stad, 'een tweede galg op te richten. Om het hart der Magistraatsleden te vermurwen, hield men hun voor dat men toch onmogelijk twee galgen kon bekostigen. Voor zulk een kras argument haalden de heeren bakzeil, en na gewone deliberatie, werd 'goedgevonden en verstaan, aan den gemelden Krijgsraad de stadsgalg ter volvoering van de terechtstelling binnen de stad ad illum actum toe te staan, en voorts wel te mogen lijden dat buiten de stad (op kosten van het land of van den Krijgsraad) op de gewone gerechtsplaats een galg werd gesteld om den delinquent aldaar, anderen ten exempel, te doen hangen.'

13 maart 1795. Brief van Stads-Gedeputeerden over valsche assignaten.

Tijdens de Fransche revolutie had men de geestelijke goederen tot wereldlijke gemaakt en zou die nu verkoopen om dit geld voor den Staat te gebruiken. Omdat men inzag, dat, als men teveel land tegelijk verkocht, de opbrengst niet groot zou zijn, stelde men zich voor om ieder jaar een gedeelte te verkoopen, en op de nog onverkochte landerijen biljetten uit te geven, die assignaten werden genoemd. Zoolang men dus niet meer van dit papieren geld uitgaf dan de waarde der landerijen bedroeg, hadden deze assignaten evengoed recht van bestaan als b.v. onze bankbiljetten. Doch toen de behoefte aan geld in Frankrijk al grooter en grooter werd, begon men er met die assignaten maar op los te drukken, die daardoor geweldig in waarde daalden. De Franschen wisten echter wel raad. In de landen waar zij als overwinnaars de wet konden stellen, dwongen zij de lieden om het papieren geld voor de volle waarde aan te nemen, terwijl zij zelf niet anders dan in goud- en zilvergeld wilden uitbetaald worden. Op den zolder van het Brielsche Stadhuis staat noch een groote kist vol assignaten, in scheurpapier een waarde van vele duizenden guldens vertegenwoordigende. Als de tegenwoordige Fransche Republiek al dat papier wilde inwisselen, hadden wij niet alleen onze sluisdeuren, maar hielden waarschijnlijk nog een mooi appeltje voor den dorst over. ...Waar men zoo met echte assignaten te tobben had, begrijpt men licht dat men op valsche heel en al niet gesteld was. En hierover schreven Stads-Gedeputeerden aan den Provisioneelen Raad der stad Brielle. Niet alleen om het gemoedelijkvertrouwelijke van dezen brief, maar ook om het slot, waarin iets van Tromp en de Ruijter voorkomt, geef ik dit schrijven in zijn geheel hier weder: Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap. Waardste Medeburgers! Ik heb de eer ulieden toe te zenden het dagblad van den 6en Maart, zoo even ontvangen. Gisteren avond in de Vergadering zijnde werd door de Gecommitteerden wegens Amsterdam en Rotterdam instantelijk verzocht om zoodra mogelijk de recepissen te doen vervaardigen om de assignaten in te wisselen, dewijl de Koophandel daar merkelijk door gestremd werd; de President Lonck antwoordde dat 't papier daartoe reeds klaar was, en men aanstaanden Zaterdag daar nader over zoude raadplegen. Men heeft eergisteren ontdekt dat er in 't huis van Du Chausset et fils valsche assignaten werden uitgegeven en er een menigte te Schiedam in circulatie onder de kooplieden waren gebracht, waarop dat kantoor is verzegeld geworden en gelast den commies, die te Amsterdam is, te arresteeren, dewijl zij zeiden van alles ignorant te zijn. Gisteren zijn eenige rariteiten van de Generaals! Tromp en De Ruijter uit de rariteitskamer van den gewezen Stadhouder onder een sterk escorte, zoo van cavalerie als infanterie, met zeer veel plechtigheid afgehaald en bij Hunne Hoogmogenden overgebracht als: een gouden stuk kanon 't welk door vijf officieren werd gedragen; één staf van commando, twee zwaarden en meer andere wapenen, alles versierd met nationaal lint; waarmede verblijve: Heil en Broederschap. De brief was onderteekend door P. Lelyzee V.d. Waal.

20 maart 1666. Klacht van dr. Swinas over aanranding

Aanranding gebeurt, noch gebeurde veel in Den Briel. Niet zoozeer omdat de leiden zooveel hooger staan dan de Rotterdammers of Amsterdammers. Maar eenvoudig omdat de aanranders niet in zoo'n kleine plaats moeten wezen; ze zouden te gauw in de kijkers loopen. Doch dr. Willem Swinas hàd er over te klagen, en hij deed het ook. Hij deelde mede 'dat hij op Maandag laatstleden 's avonds, de klok omtrent zeven uren, aan de Noordzijde van het Maarland omtrent de Lage Brug gaande om zijn visites als dokter te observeeren, aldaar zonder eenige de minste redenen was aangerand en bevochten van zekere drie personen, die hem onverziens op 't lijf kwamen te vallen, en wanneer Zijn Edele zich in postuur van verdediging kwam te stellen, zich in allerijl op de vlucht hadden begeven en ontsnapt, medenemende en zijn Edele van het lijf scheurende deszelfs mantel en hoed.' Natuurlijk werd na deze klacht ernstig gedelibereerd, en de Baljuw in de vergadering ontboden om hem te verzoeken...ja wil de lezer een staaltje van het Stadhuis-Hollandsch dier dagen? Dan geef ik hier letterlijk het slot der Resolutie terug. 'Ende is voorts de Heer Baillui inde vergadering ontbooden ende gecompareert sijnde, versocht op soodanig petulant persoonen ende vouleurs te inquieren ende te proscederen, als naer behooren.'

27 maart 1832. Verzoek aan den Koning om uitstel van het aanleggen eener nieuwe begraafplaats.

Waren vroeger de begraafplaatsen om en in de kerken, onder Koning Willem I kwam men tot het inzicht dat het beter was die begraafplaatsen buiten de kom der gemeente te nemen. Ook in Den Briel werd hierover onderhandeld met de Hooge Regeering. Als begraafplaats was aangewezen een stuk weiland gelegen aan Stadssingel Polder Rugge, Gemeente Oostvoorne in den Kerkhoek aldaar no. 31,32,33 en 34, en het Ministerie van Oorlog had zulks goedgevonden. Nu was echter het jaar 1832 ziet bijzonder gelukkig gekozen. We waren midden in de troebelen met België. Uitgaven waren er genoeg, en de Stedelijke regeering van Den Briel zag er ten zeerste teegen op om nog nieuwe te maken. Daarom besloten Burgemeester en Wethouders (welke ambten toen respectievelijk vervuld werden door de heeren Joh. Van der Minne, B. Kleijn en Leendt Plooster) zich te wenden tot den Koning 'met bede, om in de tegenwoordige hachelijke tijdsomstandigheden, voor een jaar of langer, zoolang de ongunstige en onzekere staat van zaken, waarin het Rijk verkeert, zal blijven voortduren, van het aanleggen dezer begraafplaats te mogen verschoond worden.'

29 maart 1599. Witte Corneliszoon de With geboren.

De latere Vice- Admiraal van Holland en West-Friesland, Witte Corneliszoon de With, werd -zooals het zich in het Rijks-Archief bevindende Handschrift van Walter Breeman van der Hagen vermeldt- 'den 29 Maart 1599 geboren, een half uur buiten der Stede Briel, op den hoogen dijk in 't land van Voorne.' Daar zijn jeugd het onderwerp heeft uitgemaakt van een der rijmen in den liederen-cyclus over Bestevaêr Tromp zie ons nummer van Dinsdag 22 Maart l.l.) kunnen we ons hier bepalen tot een opmerking en een vraag, om ten slotte nog een kleine mededeling te doen. De opmerking is deze. Witte Corneliszoon de With heeft, volgens onderzoek van den heer H. De Jager een huis bezeten, en er 'naar alle waarschijnlijkheid,' 'toen hij te Brielle poorter was' ook in gewoond, dat aan de Noordzijde van het Maarland stond. Nu bevat een dier huizen(in eigendom van, en gelegen naast dat van de heer Noltee) in den gevel een medaillon voorstellende den strijd tusschen Michaël en de draak. Het is bekend dat Witte Corneliszoon de With den 22 Nov. 1646 door den Koning van Frankrijk verheven werd tot ridder van de orde van Zint-Michiel. Men kan haast geen portret van den zeeheld zien, of hij heeft deze ridderorde op de borst hangen. Vooral die welke voorkomt in De Jonge's Gesch. v.h. Ned. Zeewezen, geeft duidelijk hetzelfde tafereel weder als in het medaillon van het huis des heeren Noltee. Dat Witte hoog met deze onderscheiding wegliep, zou ook aangetoond kunnen worden voor het feit dat dit medaillon insgelijks uitgehouwen was op de grafzerk in de Sinte-Catharinakerk, waaronder een zijner vrouwen lag, welke grafsteen verdweenen is; zelfs aan de ijverige nasporingen van den heer de Jager -en dat zegt wat!- is het niet mogen gelukken dien steen terug te vinden. Zou nu de onderstelling zoo gewaagd zijn om het huis van den zeeheld op die plaats te zoeken, welke ik daarstraks aanwees? Er is echter één ding tegen, en dat is nogal kras ook. De zeeheld werd in 1646 ridder van Sint-Michiel, en de heer de Jager heeft aangetoond dat hij den 15 Dec. 1640 het huis op het Maarland aan Willem Portael verkocht. Het medaillon zou dus door dezen of zijn erven in den gevel moeten zijn geplaatst. Die zelfde gevel bevat nog een drietal koppen, waaronder een van een man met een (scheeps?)kroon(1) wel met knevel doch zonder baard...evenals de portretten van den Admiraal dezen weergeven. Daar de Bod-boeken niet meer in Den Briel zijn, doch naar Den Haag overgebracht, is het hier niet meer mogelijk na te gaan of in dit huis nog een bloedverwant van Witte gewoond heeft. Ook zou het mogelijk zijn dat genoemd medaillon eenvoudig onder het rubriek 'rangschikten moest worden. Wie lost dit raadsel op? Ten slotte nog deze mededeeling. Men weet dat Witte Corneliszoon de Witte tot diaken der Nederl. Herv. Kerk te Brielle bevestigd is, maar toen juist benoemd werd tot Vice-Admiraal. De heer de Jager heeft daarover het volgende medegedeeld uit de Notulen van den kerkeraad van 27 Oct. 1637: 'Is voorgeslagen, also Witte Corn. De Wit is vercoren tot het vys ammiraelschap van Hollandt, of het niet geraden en ware ijmandt in zijn plaets te surrogeeren. De vergadering verstaet, so Witte Corn. excipieert, dat hij sijnen dienst niet en sal konnen waernemen, dat een van de dry afgaende broederen diaconen in syn plaets voor een jaer sal dienen.' En op 15 Nov. 1637: Witte Cornelisz. de Witte, onlancx bevesticht sijnde in het diaconieampt, doch daer op gevolgt sijnde, dat sijne E. Voorsien is geworden van sijne Hoocheijt, den Prince van Orangien, met het Vice Admiraelschap van Hollant sulcx dat hij tot den dienst aan dese kercke niet sal connen tegenwoordich sijn, versocht dat de kerkenraet gelieve een ander diacon in zijn plaetse te substitueeren.' Dit werd toegestaan, en Pieter van den Berge in zijn plaats benoemd. In meergemeld Handschrift komt -in het Overzicht aan het slot- onder 15 Oct. 1637 dit voor: 'Diaken ten Briel bevestigt, die twee diensten op éénen dag hem opgedragen, 't laetste aengaende de broeders bedankt. Na syn Hoogheyt in 't leger cito om syn commissie vertrocken.' ----------------------------------------------------(1) In meergemeld manuscript begint een gedicht op hem aldus: 'Dus siet men Witte met de scheepskroon op syn haeren.'