Bij loting wordt een nieuwe keurmeester van de haring benoemd in plaats van Jan Pieterszoon Coppelstock.
Bepaling van de Brandstof waarmede de bakkers hun oven mogen stoken.
De Admiraal Johan Evertsen door het Brielsche gepeupel aangevallen en bijna vermoord.
De Admiraal Johan Evertsen door het Brielsche gepeupel aangevallen en bijna vermoord.
Door de Stad geld voorgeschoten aan een vrouw voor haar particuliere belangen.
5 juni 1599. Bij loting wordt een nieuwe keurmeester van de haring benoemd in plaats van Jan Pieterszoon Coppelstock.
Het sterfjaar van den overal bekenden Veerman van Den Briel is hoogstwaarschijnlijk het jaar 1599 geweest. Daarvoor pleit niet alleen het bovenstaande, een aanteekening uit 't Vierde Memoriaelboek der Stede van Den Brielle, waarbij medegedeeld wordt dat 'Frans Oliviersze Kuyper werd gesteld ende gecommitteert tot 't keurmeesterschap van den harinck in plaetse van Jan Pietersze Coppelstock', maar ook een post in de Rekening van den Burgemeester-Thesaurier over 1598-1599, waarin de naam van Jan Pietersze Coppelstock voor de laatste maal voorkomt.
Ook zag Jan Kluit een lijst in het Schippersgilde, ( waarvan met zekerheid gezegd kan worden dat het in 1596 bestond 'uit 56 schippers en 54 schuitenvoerders, met 30 knechts, en dat onder de eerstgenoemden waren drie veerlieden, die van deze Stad door het Scheur direct op Maassluis voren') dat de naam van Jan Pieterszoon Coppelstock, die in 1593 dekenmeester van het gilde was, in 1599 met de pen was doorgehaald.
12 juni 1666. Bepaling van de Brandstof waarmede de bakkers hun oven mogen stoken.
'Alzoo eenigen tijd herwaarts' - aldus luidt de bedoelde Magistraats-Resolutie- 'bevonden is dat zeer veel bakkers binnen dezer Stede hun oven komen te stoken met boekweitdoppen, zaagmolm, bezemmakershei, krullen en diergelijken, waardoor het brood niet behoorlijk wordt gebakken, en zulks dat daardoor veel ongezondheid aan de menschen veroorzaakt wordt; - zoo is na deliberatie en ingenomen advies van de Dekenmeesters van het Bakkersgilde, alvorens in hun verdediging daarop gehoord zijnde, goedgevonden en verstaan, dat van nu voortaan geen bakkers hun oven met iets anders zullen hebben te stoken dan met turf en hout en mutserd ( d. i. takkebos) zonder eenige doppen, hei, krullen, zaagmolm en anders daartoe te mogen gebruiken, op peine van vijf gulden telkenmale te verbeuren ten profijte zoo van den Officier, den pachter van Stads turfimpost, broodwegers of Dekenmeesters van het Bakkersgilde, wie van hen de bekeuring zou mogen komen te doen.'
14 juni 1665 (1). De Admiraal Johan Evertsen door het Brielsche gepeupel aangevallen en bijna vermoord.
De Tweede Engelsche Zee-oorlog begon voor ons op de allertreurigste wijze. Bij Lestoffe werden de Nederlanders verslagen, het Admiraalsschip vloog in de lucht, zoodat de Luitenant-Admiraal Wassenaar van Obdam om het leven kwam, andere vlootvoogden sneuvelden, en van het overige scheepsvolk, waaronder zich vele Briellenaars bevonden, kwam er insgelijks een groot aantal jammerlijk om het leven. Gelijk 't in dergelijke omstandigheden meestal gaat, werd er aan wal van verraad gesproken, en werden de overlevende gezagvoerders op hoogst onbillijke wijze aansprakelijk gesteld voor de nederlaag. Dat moest de Zeeuwsche Admiraal Johan Evertsen, die zich in den zeeslag bij Lestoffe op een niet hoog genoeg te roemen wijze door zijn dapperheid onderscheiden had, op een schandelijke wijze ondervinden. De geschiedschrijver van zijn leven, Mr. J.C. De Jonge in zijn in het begin dezer eeuw verschenen: Levensbeschrijving van Johan Cornelis Evertsen, deelt dit voorval aldus mede:
'Evertsen ontving het bevel de Maas binnen te zeilen, in persoon zich ten spoedigste naar Den Haag te begeven, om aldaar nadere berichten, wegens zijn wedervaren, aan de Algemeene Staten mede te delen. Voor Hellevoetsluis gekomen, stapte hij op den veertiende van den Zomermaand aan wal en ging dadelijk op reis, willende zich over Den Briel naar den zetel der Overheid begeven. Omtrent te zeven uren in den avond, reed hij gezeten in een open wagen de muren van die stad binnen. Waarschijnlijk was men aldaar reeds te voren van zijn aankomst verwittigd. Hier was het volk ten uiterste vergramd op Evertsen. Niet alleen wreef men hem de schuld van het verlies des strijds aan, maar de bloedverwanten van sommige zeelieden, die aan boord van Wassenaer waren gesneuveld, beschouwden Evertsen, dwaaselijk als de oorzaak van hun dood. Zoodra men Evertsen de stad ziet binnenkomen omsingelt hem een ontelbaar aantal jongens, vrouwen en mannen. Dezen smijten hem met steenen, genen bezoedelen hem met slijk, en halen hem van den wagen af. Nu drijven zij den vijf en zestigjarigen Held, die zoo vaak zijn leven voor het Vaderland gewaagd had, met groot gebaar voor zich uit, duwende en trekkende hem, gelijk een ooggetuige zich uitdrukt, naar den kant der haven. Door het gepers en gedrang valt Evertsen neder; het dolzinnig grauw grijpt hem aan, sleept hem langs de straat naar de haven en werpt hem onder een groot getier in het water, smijtende de Admiraal tot verhaasting van deszelfs dood gedurig met steenen.
Onder al deze mishandelingen zoekt Evertsen, ware het mogelijk, zijn leven te behouden. Hij steekt zijn hoofd even boven het water, en weet zich aan de steven van en nabij hem liggend schip te hechten. Langzamerhand echter beginnen hem de krachten te ontbreken en het oogenblik schijnt nabij, dat de rampzalige Zeevoogd uit onmacht zal nederstorten. Doch nu verschijnen zijn verlossers, aan het hoofd van een aantal krijgslieden. Het waren twee Afgevaardigden der Algemeene Staten, die zich juist op dien stond, bij toeval in Den Briel bevonden, of volgens het verhaal van een inwoner dier stad: twee Brielsche Vroedschappen, die met den Bevelhebber der stad, den commandeur Van Beaumont, toesnelden ter redding van Evertsen. Deze rukken aan het hoofd der bezetting aan, drijven het onzinnige grauw uit elkander en redden den zinkenden Zeevoogd, die, onder het geschreeuw en de uitjouwingen der verwoede menigte met edele verontwaardiging betuigde: dat hij zich zelve wel zou verantwoorden. Indien wij aan de getuigenis van een uitheemschen schrijver mogen geloof slaan, was het aan een zekeren Bearnischen Hopman, in dienst zoo het schijnt van dezen Staat, aan wien Evertsen eigenlijk zijn behoud verschuldigd was.
14 Juni 1665 (2).
Deze, geheeten La Salle, en behoorende zoo het mij voorkomt tot de bezetting, toog Evertsen uit het water en bracht hem aan land. Zoodra Evertsen op deze wijze gered was, werd hij in een nabijgelegen huis of herberg overgebracht. Hier werd hij door eenige soldaten bewaakt, om niet bloot te staan aan een tweeden aanval. De onrustige toestand des volks maakte het vertrek van Evertsen intusschen raadzaam. In het holle van den nacht, te twee uren, verliet hij vermomd, onder het geleide van eenige krijgslieden, Den Briel en keerde naar Hellevoet terug. Deze keus was hem heilzaam. Ware Evertsen de gewonen weg ingeslagen, hij zou het slachtoffer geworden zijn van dolle wraakzucht. Het was aan het volk uit Den Briel onverdragelijk, dat Evertsen hun ontrukt was. Nauwelijks had men verstaan, dat hij zijn reize naar Den Haag bij nacht wilde voortzetten, of het plan werd gemaakt hem in den tocht aan te randen. Eenige booten met mannen en vrouwen, bezetten dus de Maas; want men meende, dat de Vlootvoogd langs dien weg zou vertrekken. Aldus wilden zij hen opwachten, overweldigen, en hun verhitten bloeddorst aan hem koelen. Hun verwachting vond zich echter bedrogen, en Evertsen bereikte vroeg in den morgenstond, zonder enige hindernis Hellevoet. Terstond na zijn aankomst vervoegde de Luitenant-Admiraal zich bij de aldaar zich bevindende Afgevaardigden der Algemene Staten. Aan dezen deed hij verslag van zijn wedervaren in Den Briel en verzocht, omzich niet meer bloot te stellen aan de kwade bejegening dier stedelingen, een klein vaartuig of jacht om hem vandaar rechtstreeks naar Den Haag te vervoeren. Evertsen vroeg ook, voor zijn veiligheid eenige krijgslieden. De afgevaardigden stonden hem dit verzoek gewillig toe en gaven ter zijner bedekking vijf of zes soldaten mede; doch dit geleide werd hem niet dan vrijwillig toegevoegd, opdat het niet mocht schijnen, dat hij als een gevangenen verzonden, of dat hij door hen als schuldig beschouwd werd.' Dat de zeeheld van het Brielsche gepeupel zéér veel te lijden heeft gehad, kan men opmaken uit het verslag van zijn onderhoud met de Staten-Generaal 'alwaar hij', zooals gemeld wordt 'onaanzienlijk door wonden en kneuzingen, die hij van het Brielsche gemeen had ontvangen, hem groot ongemak zouden toebrengen, in geval hij zich van deze wonden niet te huis op zijn gemak mocht doen genezen.'
Op voordracht der Staten van Zeeland werden door de Staten-Generaal pogingen in het werk gesteld om de schuldigen op te sporen en voorbeeldig te straffen. 'Doch de herhaalde bevelen der Algemene Staten en die der provincie Holland, konden de Rechters en Overheden van Den Briel niet bewegen de schuldigen met ijver te vervolgen. De mishandelingen waren, gelijk zij betuigden, door den grooten hoop gepleegd, en de opsporing der schuldigen was onmogelijk, hoewel Evertsen zelf verscheiden der medeplichtigen bij name had opgegeven.'
De Staten van Holland waren niet tevreden met de uitvluchten der Brielsche regeering, 'welke haar burgers zocht te verschoonen.'Doch toen herhaalde ernstige aanmaningen niets uitwerkten, gaven de Staten van Holland den 1en Augustus een openlijk bevelschrift uit, waarin de mishandeling omschreven werd, en zij ieder uitnoodigden en vermaanden de schuldigen te ontdekken en aan te geven, met belofte dat, onder geheimhouding van den naam des aanbrengers, aan dezen een som van drie honderd gulden tot belooning zou worden uitgereikt'.
26 juni 1683. Door de Stad geld voorgeschoten aan een vrouw voor haar particuliere belangen.
'Is Christyntje Deuys bij leening geaccordeerd een som van 35 pond om bij haar gebruikt te worden tot reisgeld om te reizen eerst naar Zierikzee en van daar naar Oudenaarde in Vlaanderen in het bekomen van haar bewijzen en recht tot zekere erfenis van haar 'Oud-meuij' binnen Gent overleden; doch dat dezelve penningen worden verstrekt bij leening, om, indien dezelve vrouw tot haar oogmerk kome te geraken, hetzelve weder aan de stad te voldoen.'