Orde waarin de processies binnen der Stede van den Briel zullen omgaan
Resolutie over het hoofd op de kerkdeur
Besluit tot het eten van haring in de Godshuizen
Geld voor de verlossing van een Brielschen haringvisscher

7 juni 1563. Orde waarin de processies binnen der Stede van den Briel zullen omgaan

  Deze orde was als volgt. Vooraan, af zooals in de Resolutie staat, voor allen, zou het Gilde van de Schippers gaan, als om aan te toonen dat Den Briel in de eerste plaats een stad was wier bevolking haar bestaan in de zeevaart en visscherij vond. 'Daarna zullen volgen de Schutters van de kloveniers, daarna de oude kamer van Retorycke, daarna de schutterij van den voetboog, daarna de schoolkinderen met hun meester, en de priesters en kanunniken; daarna zullen achter het Sacrament gaan de Baljuw, Rentmeester en Schout, Burgemeesteren, Oud en Nieuw gerechte , en daarna geheel de gemeente.'

19 juni 1734. Resolutie over het hoofd op de kerkdeur

  De heer Burgemeester Briell -aldus luidt deze Magistraats-Resolutie- heeft ter vergadering medegedeeld dat de kosters van de Groote kerk aan Zijn Edele hadden komen bekend maken, dat tusschen Vrijdag-en Zaterdagnacht op de deur van deze kerk met zwarte verf was geschilderd een menschenhoofd met een hoorn daarop en een kruis daarbij, waarover onder de gemeente veel geruchts ter zake van dezen tijd werd gemaakt. Waarom Zijn Weledele de gedachten en het goedvinden van Hun Edel Achtbaren verzocht te verstaan of men hier iets tegen zou kunnen of willen doen in het werk stellen.
 Waarop gedelibereerd zijnde en in overweging genomen dat dit zijn muitzieke en aanstootelijke ondernemingen die wel scherpelijk behooren te worden tegengegaan en zooveel mogelijk gestuit; zoo is goedgevonden en verstaan daartegen aanstonds een publicatie te doen met het stellen van een premie van 50 gld. Die den dader of daders van zoodanige kwaadaardige feiten weten aan te brengen, zóó, dat ze in de handen van de justitie komen te geraken.
 Om het nog verleidelijker te maken, werd tevens besloten dat, indien een der medeplichtigen de zaak wilde verraden, deze geen straf zou beloopen, en in elk geval de naam van den aanbrenger geheim zou worden gehouden.

21 juni 1735. Besluit tot het eten van haring in de Godshuizen

  Op Dinsdag den 21 Juni 1735 deelde Burgemeester Taall mede 'dat ter laatster vergadering van de Groote Visscherij binnen de stad Delft was gedaan bij of vanwege de gemeene reeders van Haringschepen een voorstel, strekkende dat tot behoud van die visscherij mocht besloten worden en vastgesteld, dat voortaan in de Godshuizen binnen deze Provincie op zekere vaste dagen haring mocht gegeten worden wanneer die niet meer dan 120 gld. het last kwam te gelden.
 Dat was wel een heel aardig middel om te maken dat er altijd aftrek voor de haring bleef te vinden en dat ze immer op prijs zou blijven. Waar het echter een bedrijf gold waarbij ons heele Vaderland zooveel belang had, besloot Den Briel dit voorstel door haar afgevaardigden der Statenvergadering te doen steunen, indien het aldaar in behandeling kwam.
  De Staten van Holland schijnen hier niet aan gewild te hebben; ten minste ik heb er niet van gevonden in de Resolutiën dier Staten. Den Briel en de andere steden, die er belang bij hadden, wisten er echter wel raad op. Dit toont een Magistraats-Resolutie van den 15en Oct. 1735 aan. Op de vergadering der Groote Visscherij, den 7en Oct. te Delft gehouden, was wederom op dat haring-eten in de Godshuizen aangedrongen, waarop door vijf steden van die Visscherij was aangenomen omdat te laten doen in haar Godshuizen. Ingevolge dat besluit werd den 15en October door onze Magistraat besloten dat in het Merula-Weeshuis en het Gasthuis gedurende de vier wintermaanden November, December, Januari en Februari eens per week haring zou gegeten worden, wanneer die niet boven de negen gulden de ton kwam te kosten.

28 juni 1636. Geld voor de verlossing van een Brielschen haringvisscher

  Onder de steden die veel van de Duinkerker kapers te lijden hebben gehad, behoort Den Briel. Onderscheidene malen vindt men hiervan gewag gemaakt. Zoo vindt men in de Magistraats-Resolutie op bovenstaanden datum het volgende:
  'Is Lidewy Cornelisdochter, huisdochter, huisvrouw van Joris Leendertsz, zeeman, in den voorleden jaar te haringvaart genomen en tot Duinkerken gevangen, ordonnantie toegestaan op de zustergoederen ter somma van zestig Carolusgulden om haar voorzeiden man daarmede te verlossen, mits dat zij verplicht blijft bij beter fortuin dezelve penningen te restitueeren.
 'Volgens een Magistraats-Resolutie van den 7en September 1655 bedroeg toenmaals een Carolusgulden 12 guldens. Men vergete echter niet hierbij te bedenken, dat het geld in die dagen veel duurder was dan thans.