Magistraats-Resolutie over het al of niet behooren van de aardappelen tot de groente. (1)
Magistraats-Resolutie over het al of niet behooren van de aardappelen tot de groente. (2)
Vanwege een zieke wordt een assistent toegestaan (1)
Vanwege een zieke wordt een assistent toegestaan (2)
Resolutie over het uitdeelen van brood aan de armen.

17 juli 1779. Magistraats-Resolutie over het al of niet behooren van de aardappelen tot de groente. (1)


  In de laatste helft van de 18e eeuw was de aardappel begonnen een deel uit te maken van de volksvoeding, waarvan hij weldra het hoofdbestanddeel zou uitmaken. Natuurlijk kwam het woord aardappel niet voor in het privilege van het Sint-Jans- of Groengilde dezer Stad, en de lieden die begonnen te vinden dat het een goede negotie was dat koopen en verkoopen van aardappelen, weigerden het recht van genoemd gilde te voldoen. De heeren Magistraten moesten er zich mede bemoeien, en zoo vindt men in het Archief dezer Gemeente het volgende:
  'Bij gelegenheid van het laatst gehouden besogne over eenige beschikkingen en beter orde omtrent de Groenmarkt dezer Stad, door den heer Vroedschap Leening, als hoofdman van het Sint-Jans- of Groengilde dezer Stad, aan heeren Gecommitteerden overgegeven zijnde, eenige klachten over de weigering van Jan Beijer, marktschipper van deze stad op de stad Delft, vice, versa, om, vermits hij aardappelen komt te verkoopen en mede naar Delft te nemen ter verkooping, eenige jaarlijksche gilderecht aan het gemelde gilde te voldoen en wel ter somma van zes gulden, als zijnde geen inboorling alhier, met een verzoek van gemelden heer Hoofdman, dat voornoemde marktschipper hiertoe door hun Edel Achtb. mag worden geconstringeerd, om, even als de marktschipper op 's Gravenhage, Jan Borstlap, zijn jaarlijksch gilderecht, te voldoen.

17 juli 1779_2. Magistraats-Resolutie over het al of niet behooren van de aardappelen tot de groente. (2)

En hetzelve op heden ter deliberatie gebracht, en gemelden schipper, Jan Beijer, hier op gehoord, en in achting genomen zijnde, eensdeels dat in denganschen gildebrief van het St-Jans of Groengilde binnen deze Stad, geen de minste mentie van aardappelen wordt gemaakt, en ook daar niet toe kan worden gebracht, en anderdeels de dispariteit tusschen gemelden schipper Jan Beijer en den Haagsche schipper Jan Borstlap, als verkoopende de eerste alleen aardappelen en de tweede daarenboven allerhande soorten van groenten. Is goedgevonden en verstaan bij dezen te verklaren, dan Jan Beijer, uit hoofde zijner aardappelen-negotie geenszins tot het groenmansgilde is behoorende, en dus ook geen gilderecht schuldig is, gelijk ook niemand aardappelen alleen, zonder eenige andere groenten verkoopende, tot het voorgeschreven gilde kan worden getrokken, met last aan Hoofdman, Boekhouder en Dekenmeesters, van het St-Jans-of Groengilde dezer Stad om van nu voortaan, niemand, aardappelen alleen, zonder eenige andere groenten binnen deze Stad verkoopende, in het Sint-Jans- of Groengilde te trekken, of die eenige gilderecht te doen betalen, als behoorende de aardappelen niet tot het voorgeschreven gilde, en kunnende daartoe niet worden gebracht. En zal extract van deze resolutie gegeven worden aan Hoofdman, Boekhouder en Dekenmeester van het Sint-Jans- of Groengilde binnen deze Stad, om hun daarnaar te reguleeren.'

24 juli 1790. Vanwege een zieke wordt een assistent toegestaan (1)


  De drie Magistraats-Resolutiën, die ik hier over deze kwestie doe afdrukken, werden genomen toen de Gereformeerde kerk nog de heerschende was. Zij hebben derhalve eenige waarde bij het beoordeelen van de verhouding der Stedelijke Regeering van de Geuzenstad tegenover de Roomschen, over welke verhouding ik later een uitvoeriger studie in het licht hoop te geven. De eerste, van 24 juli 1790, luidt aldus: 'Is binnen gestaan Johannes Vinkenburg, Roomsch Priester en Pastoor binnen deze Stad , te kennen gevende, dat hij door iteratieve en nog onlangs een herhaalde beroerte zoodanig bezocht is geweest, dat hij zich thans buiten staat bevindt, om zijn dienst naar behooren te kunnen waarnemen, en hem ook geordonneerd is eenigen tijd zijn rust te moeten nemen, verzoekende dierhalve dat hun Ed. Achtb. hem goedgunstig gelieven te permitteeren, om iemand eenigen tijd tot zijn assistentie te mogen emploijeeren.
  ' Waarop gedelibereerd zijnde, is goedgevonden en verstaan, den Roomschen Priester en Pastoor, Johannes Vinkenburg, te permitteeren, zooals aan hem gepermitteerd wordt bij dezen, om redenen hier boven aangevoerd, gedurende den tijd van vier weken en langer niet, een assistent te mogen emploijeeren, mits dat voornoemde assistent in alle deelen een persoon is als bij hun Ed. Groot Mog. placcaat van den 21 September 1730 is bepaald, en bij denzelven daaraan ook punctueelijk wordt voldaan.'

24 juli 1791. Vanwege een zieke wordt een assistent toegestaan (2)


  De tweede Resolutie is van den 31 Juli en houdt het volgende in:
  'Is binnen gestaan Johannes Vinkenburg Roomsch Priester en Pastoor binnen deze Stad, hun Ed. Achtb. bedankende voor de gunstige concessie en permissie om gedurende den tijd van vier weken een assistent te mogen emploijeeren aan hem verleend, en te kennen gevende dat hij daartoe had verkozen den persoon van Johannes Lenaerts R. C. Wereldsch Pastoor, geboren van Rotterdam, en welke Lenaerts een persoon is van welke hij in alle deelen was een Roomsch Catholiek wereldsch Priester, als bij hun Ed. Groot Mog. Placcaat van de 21en September 1730 is bepaald, aan welk placcaat dan ook punctueelijk door gem. Johannes Lennaerts zal worden voldaan.'
  De ongesteldheid van den pastoor duurde echter langer dan hij vermoed had. Den 4en September moest er beraadslaagd worden over een door hem ingediend request. Hij verzocht daarbij, 'dat het hun Ed. Achtb. goedgunstelijk mocht behagen hem suppliant uit hoofde zijner voortdurende indispositie en daaruit voortvloeiende onbekwaamheid in het waarnemen van den dienst in de Roomsche kerk alhier toe te staan' dat de Kapelaan nog wat langer bleef, wat hem nog voor zes weken, in te gaan met den 17en October 1790, werd vergund.
  De pastoor schijnt van zijn ongesteldheid genezen te zijn; men vindt ten minste na het einde dier zes weken niets meer van zijn helper. Den 26sten Maart van het volgende jaar vinden we nog eenmaal den naam van den pastoor vermeld, en wel in een kwestie over het oprichten van een heining, waarmede zich gewoonlijk zieke menschen weinig kunnen bemoeien. Er staat hiervan opgeteekend: 'Erfscheiders geaccordeerd aan den heer Oud Schepen Heyman Volker, als in huwelijk hebbende Maria van der Bijll, als eigenares van de huizinge en erve, staande en gelegen aan de westzijde van de Nobelstraat binnen deze stad op no. 37 ter eenre, en Johannes Vinkenburg, Roomsch Pastoor binnen deze Stad als bewoner van de Pastoriehuizinge, staande en gelegen aan de Westzijde van de Nobelstraat binnen deze Stad op no. 36, ter ander zijde, wegens het weder oprichten en in orde brengen van een gedeelte der heining tusschen beide erven.'

31 juli 1666. Resolutie over het uitdeelen van brood aan de armen.


  Den 26en Juli 1666 was in de vergadering verschenen een commissie uit den kerkeraad, bestaande uit de heeren Leonardus Harleus, predikant, Willem Jorisz. Lakenkooper, ouderling, en Willem Hooijer, diaken, 'eerbiedig verzoekende, dat den Ed. Heeren van de Regeering geliefden goed te keuren, en over de armen, geen lidmaten der kerk zijnde te doen practiseeren, zeker schriftelijk reglement' dat door den kerkeraad opgesteld was 'op het inkoopen en uitdeelen van brood in plaats van geld aan de armen.' De inhoud van dit reglement komt, zeer in 't kort, hier op neer, dat 'de diakenen van al de bakkers, lidmaten zijnde, zullen inkoopen zooveel brooden als zij tot de wekelijksche bedeeling van noode zullen hebben.' Bij elken bakker zou men vier weken blijven. Een massa bepalingen kwamen er bij om te zorgen dat de belasting geen schade kon lijden, terwijl de bakkers heilig en plechtig moesten beloven even zoo goed brood te leveren als aan hun klanten. Zoo niet, dan kregen ze niet alleen hun brood terug, maar waren voortaan van de leverantie verstoken. Verder moest dit brood gemerkt zijn en alle Vrijdagavonden in de consistoriekamer geleverd worden, waar het gevisiteerd werd en des anderen daags aan de armen uitgedeeld. Omtrent de uitdeeling werd vastgesteld, dat zij 'zal moeten worden gedaan met twee deelen aan brood en een deel aan geld, van hetgeen ieder nu is genietende, aan de personen zelf, hun kinderen of degenen die zekerlijk bekend zijn van dezelven daartoe gelast te wezen, behalve aan eenzame, oude en impotente personen, die meer dan brood van noode hebben, die zoodanig op brood en geld zullen worden gesteld, als naar ingenomen kennis en onderzoek van de ceel bevonden zal worden te behooren. Blijve voorts in de macht der diakenen iemand des noode hebbende, met brood of geld te mogen bijstaan naar de discretie, zulks als voor dezen'
  Dat alles leek nu goed en wel; maar de pachters van het gemaal hadden er geen vrede mede. Hoe en door wien zou aan hen de verschuldigde belasting of impost betaald worden? Om nu hemel en aarde te verzoenen, werd toen door de Magistraat op den 31sten Juli besloten, 'dat in plaats van het inkoopen van brood tot de bedeeling noodig, nu door de diaken zelf koren zou worden gekocht, dat, gemalen zijnde, wegens de armen in het Weeshuis dezer stede zal worden gebakken, en voorts aan de armen uitgedeeld zal worden.