Begin van den buitengewoon strengen winter van dat jaar.
Aenbesteet (aen) Neeltgen Arensdochter (1)
Aan den Conrector Daniël Brouwerus 18 carolus guldens uitbetaald voor het opzicht in den afgeloopen zomer gehouden over de kinderen die vacantie hadden. (2)
Verboden zich des nachts op de stadwallen te begeven
Instructie voor den beul
De weduwe van Francis de Carlevero ontslagen om haar onbehoorlijke bejegening van Burgemeester de Jongh.

4 januari 1740. Begin van den buitengewoon strengen winter van dat jaar.


 Na van het laatst van October 1739 af --toen het een paar dagen gevroren had-- een wakken winter gehad te hebben, begon het den 4en Januari 1740 hevig te vriezen, en lag reeds den 11en Januari de Maas tot den Hoek van Holland geheel vast. Men reed uit de Brielsche haven met 14 à 16 wagens vol koopgoederen over de Maas naar Rotterdam, terwijl insgelijks het vee over de bevroren rivier naar die stad gedreven werd. De strenge vorst duurde tot den 12en Maart. Maar den 11en Mei was de grond nog tot op 2 voeten diepte bevroren. Het gras was meest doodgevroren zoodat het voeder voor de beesten ontzaglijk in prijs klom. Rijke boeren lieten van rogge brood voor hun beesten bakken, hoewel de zak rogge 7 à 8 gld. kostte, voor dien tijd zeer veel. De kleine boer leed ontzaglijk. Tot het riet van het dak zijner schuur gaf hij aan zijn beesten, die, evenals de menschen, door de ontzettende koude, meer behoefte aan eten hadden dan anders. Hoeveel dieren er gestorven zijn, is niet met juistheid opgeteekend. Van Groningen echter is bekend dat daar alleen 17000 stuks stierven. Alles werd peperduur; zoo ook het brood en de boter. Als de boeren 's Maandags naar de Brielsche weekmarkt kwamen, werden zij opgewacht door den minderen man en de soldaten, die het hun zeer lastig maakten en dikwijls de boter uit de manden haalden, totdat de justitie er zich mede bemoeide.
 Eerst in Juni begon het gras weer te groeien en zag men het vee buiten komen. Nog in het volgende jaar deden zich de gevolgen van dezen strengen winter gevoelen, en onze voorouders hebben tot ons de spreekwijze overgebracht van 'de kou van het jaar veertig'.

11 januari 1614. Aenbesteet (aen) Neeltgen Arensdochter (1)


 Aenbesteet (aen) Neeltgen Arensdochter nette-telster tot Swartewael, Neeltgen Jansdochter, een arm meijsgen in 't gasthuijs gelogeert geweest zijnde en bij een bouff bedroogen, voor een tijd van een jaar in de cost ende te (leeren) naaien, om 20 glds. en sal 't selve meijsgen bij de Stadt wat vercleet werden te betaelen bij Jan Craen uijt de middelen.

11 januari 1648. Aan den Conrector Daniël Brouwerus 18 carolus guldens uitbetaald voor het opzicht in den afgeloopen zomer gehouden over de kinderen die vacantie hadden.


 Uit het bovenstaande blijkt ons 1o, de vaderlijke zorg der Regenten, die wel eens lastig kon zijn, later, in de 18e eeuw: maar die in ons heldentijdperk, (toen zij nog niet vergeten waren dat ze zelve uit het volk waren voortgekomen waarmede ze de rebellie tegen den wettigen koning begonnen en volstreden) in vele opzichten in waarheid vaderlijk was.
 We zijn er b.v. zeker van dat, àls de 'boef ' ontdekt is geworden die Neeltgen Jansdochter ongelukkig heeft gemaakt, hij er niet zoo gemakkelijk afgekomen zal zijn als dit met dergelijke 'boeven' uit onze eeuw het geval is.
 En ten tweede, dat in de vacantie de leerlingen niet zonder opzicht bleven. De som van 18 gld. schijnt gering, de waarde van het geld was echter in die dagen veel hooger dan thans.
 Men vergelijke deze som b.v. met de 20 gld. aan de Zwartewaalsche vrouw uitbetaald voor een jaar onderhoud van het bedrogen meisje.

18 januari 1811. Verboden zich des dags en des nachts op de stadwallen te begeven.


 De mooie wallen rond Den Briel zijn een geliefde wandelplaats van de ingezetenen aldaar en men zou hun geen gevoeliger slag in het aangezicht kunnen toebrengen dan door hun den toegang tot die wallen te ontzeggen. Aardig is het om na te gaan hoe zij te allen tijde daarop gesteld zijn geweest. Een enkel voorbeeld. Het werd den 2en Januari 1781, toen we in oorlog met Engeland waren, noodig geacht om dien toegang te verbieden. Dit geheel en al te doen, was onmogelijk. Men had de wachters van het Zuidspui en van de Noordsluis, den molenaar en zijn knechts van den korenmolen, de loodsen die naar den Kijkpaal moesten. En juist van dien Kijkpaal en dien Korenmolen kon men een vogelvlucht over de vestingwerken hebben die gevaarlijk kon zijn. Want zoo licht kon een spion, als binnenloods verkleed, toegang tot den Kijkpaal weten te verkrijgen.
  Voor de buitenloodsen en den molenaar met zijn knechts was geen gevaar; die kende men persoonlijk. Maar omdat de binnenloodsen toch op den Kijkpaal moesten , stelde men hen 4 toegangsbewijzen beschikbaar; een kaart waarop in rood lak het zegel van burgemeester Van Dam van Aerden en daaronder de handteekening van Hoogerwaard, secretaris der stad. Zij moesten die aan den Commissaris te Rotterdam ter hand stellen als zij daar met hun schip aankwamen, die althans na kon gaan of er bedrog in het spel was geweest.
 Die afsluiting mocht in het begin streng gehandhaafd zijn, langzamerhand sloop er al eens een op die er niet hoorde. Althans den 16 Aug. 1783 beginnen de sergeanten en verdere officieren van de burgerij (schutterij zouden we zeggen) te klagen dat zij nu gedurende twee jaren 'met hun familiën waren gepriveerd van het bewandelen van stadswallen', en dat er wel degelijk andere personen, nog wel vreemden, opgeweest waren, en mochten dezen al militairen zijn, het viel den burgers dezer stad niet minder hard.
  Het spreekt wel van zelf dat aan de indiening van deze klacht bij de Regeering, er vele maanden van klagen en murmureeren waren voorafgegaan. Maar als het hun te doen was om vrouw en kinderen weer op den wal te hebben dan werden zij teleurgesteld, want wel kregen zij den toegang voor hun persoon, doch niet voor vrouw èn kind of 'bijhebbend gezelschap.' Ieder zou voor zijn persoon alleen een kaartje met een klein zegel der stad erop krijgen als bewijs van toegang.
  Dat het klagen toch wel geholpen had òf dat van de kaartjes misbruik werd gemaakt, bewijst de omstandigheden dat reeds 14 dagen later, den 30 Aug. 1783 de wallen voor alle burgers zonder onderscheid weer toegankelijk werden gesteld.
  Zoo bleef het, enkele uitzonderingen daargelaten. Zelfs toen we bij Frankrijk ingelijfd waren en Napoleon, die niets of niemand ontzag, over ons land den baas speelde, mochten de Briellenaars op den wal wandelen. Een geheel bijzondere omstandigheid leidde tot het besluit van den 18en januari, hierboven in onze kalender gemeld.
 Er was toen een nieuwe kommandant gekomen, luitenant-kolonel Jacquet. Het burgerlijk hoofd der stad ging hem complimenteeren en vernam toen van hem het verzoek om 'uit aanmerking der dieverijen die op de wallen aan 's Rijks goederen van tijd tot tijd plaats hadden', dat aan de ingezetenen het bovenstaand verbod bekend zou worden gemaakt, 'ten einde hierdoor des te beter te kunnen ontdekken aan wie deze dieverijen waren toe te schrijven.
 Door den omroeper werd dit verbod bekend gemaakt, die daar bij moest voegen dat de overtreders zich zelven de gevolgen en ongelukken te wijten zouden hebben indien zij het gebod overtraden.
  Want zelfs onder Napoleon was men bevreesd dat de Brielsche burgers een dergelijk verbod zouden trachten te ontduiken of overtreden.

23 januari 1599. Instructie voor den beul


 Bij acte van den 28en Dec. 1590 kreeg Den Briel van de Staten het recht tot het aanstellen van een Scherprechter. Dit was zeker een bijzonder voorrecht, omdat er in geheel Holland (Noord-en Zuid) slechts twee scherprechters gevonden werden, die van Haarlem en die van Dordrecht. Dat onze stad dit recht kreeg zal wel veroorzaakt zijn door het groote garnizoen dat hier was sinds Den Briel een pandstad was geworden. Zooals men zich herinnert waren Den Briel, Vlissingen en Rammekens aan de Engelschen in pand gegeven voor de kosten welke Engeland gemaakt had om ons een leger tegen den Koning van Spanje te helpen. Dat leger bestond uit 5000 man voetvolk en 1000 ruiters. Terwijl er in Vlissingen èn Rammekens 750 man voetvolk lag.
  In de Instructie voor den beul wordt dan ook gezegd dat hij 'gehouden is te dienen als Scherprechter over de garnizoenen dezer stad en andere kwaaddoeners.
 'De Instructie voor Mr. Jan, 'als meester van den Scharpen Sweerde bestaat uit negen artikels. Ze zijn van den volgenden inhoud:
  In den eersten wert den voornoemde Mr. Jan gehouden, hem in alles soe in huyshoudinge als op ter straeten, geschict, eerbaer, rustelicken ende vredelicken te draegen, sonder oock in zyn huys te mogen houden eenig quaet regiment op peyne van deportement.
 Item blyft den selven Mr. Jan verbonden in en voornoemden dienst soe lange het den voorn. Ballui, Burgemeesteren ende Regieders gelieven sal, sonder hem te mogen transporteren ofte anderwaerts in dienste begeven sonder voorgaende licentie ofte behoorlick paspoort op peyne van alomme achtervolgt ende arbitralicken gecorrigeert te werden.
  item wert den selven mede gehouden des versocht zynde hem in andere Steden van Hollant, te laeten gebruycken op alsulcken loon en tractement als andere meesters aldaer werden gedaen.
  Ende wert den voorn. Mr. Jan gehouden te dienen als Scherprechter over de garnisoenen dezer stede ende andere quaetdoenders, ende te executeren alle criminele sententien, lyff, lit, en andere corporele straffen aengaende.
 Item sal den selven Mr. Jan werden betaelt van elcke executie mette Swaerde, Viere, Coorde ofte andere daer de doot naevolgt, gerekent voor een geheele justitie zes ponden te 40 grooten 't pond.
 Item als den selven Mr. yemant executeert bij geeselinge, schavotteringe met de oore ofte hant, aen palen ofte kaecke stelt, splitneusen, oormercken ofte splissen en troppe la corde, ofte dyergelycke exempelare executien, sal van elcx werden betaelt drye vl. ponden, als gerekent jegens een halve justitie.
  Item van torqueren ofte pynigen, hoe ende in wat manieren sulxs sal geschieden: met der daet ofte door dreygementen mitsgaders geeselingen binnen scamers, zal daer van betaelt werden telcken weecke tot zyn servitie acht schellingen tot 2 grooten de schellingh. Welck tractement innegaen sal opten eersten Martius eerstcommende, en tservitiegelt wanneer den selven mr. hem met zynnne familie binnen deser steden sal hebben getransporteert.
 Item zullen mijne Heeren voornoemt tot allen tyden vermogen den voors. Mr. Jan te licentieeren, mits hem tselve kennekick maekende.
 Actium coram omnibus den 23 Januari 15 hondert negenent negentich.

25 januari 1670. De weduwe van Francis de Carlevero ontslagen om haar onbehoorlijke bejegening van Burgemeester de Jongh.


 We hebben hier te doen met een staaltje uit den tijd toen, zooals gezegd werd, men geen Burgemeester op straat tegen kon komen zonder te beven. De dominees werden ontzien, doch de Heeren nog meer. 'Want,' zeide het volk in zijn leuken trant van spreken, 'de dominees blaffen, maar de heeren bijten.' en daarom was het maar beter te handelen naar een ander aardig spreekwoord uit die dagen, n.l. dat wat de Heeren wijzen de gekken moeten prijzen.
 Uit medelijden had men den 16en Jan: 1670 de weduwe van Francis de Carlevero, die 'koster en grafmaker' der Groote kerk was geweest, nog een baantje in de kerk willen laten behouden. Want wel was Gerrit Claeszoon Kerchem in de plaats van haar overleden man tot koster en grafmaker benoemd, maar op voorwaarde 'dat het stellen en waarnemen van stoelen in de kerk, provisioneel en tot wederzeggens van de Regeering, gelaten is aan de weduwe van den voorzegden Carlevero op de emolumenten en profijten daartoe staande.
  Acht dagen lang heeft het goede mensch er slechts plezier van gehad. Want den 25en Jan. werd haar het voorrecht ontnomen 'overmits haar groote ondankbaarheid en onbehoorlijke bejegening aan den heer Burgemeester de Jongh gedaan.' Van toen af was het baantje vervallen aan den nieuwen koster, die het ook zoo maar het best zal gevonden hebben.