Aan Willem Naters verboden met een wandelstok te loopen.

8 februari 1710. Aan Willem Naters verboden met een wandelstok te loopen.


 De Regenten uit een vroeger tijdperk hadden eigenaardige middelen tot hun dienst staan, welke de tegenwoordige, die zich aan de geschreven letter der wet moeten houden, niet kunnen toepassen. Zoo hadden Pieter Admiraal en Willem Huige Naters een verschil gehad, waarbij de laatste een gebruik van zijn rotting gemaakt had waartoe deze niet bestemd was. Pieter Admiraal, die dergelijk 'hostiliteiten' wel met zijn handen af kon, werd veroordeeld in een boete van 2 zilveren ducatons, voor zonsondergang te betalen, welke boete ten voordeele van de armen kwam; en Willem Huige Naters kreeg de aanzegging 'van dat hij zich zal hebben te wachten, met een rotting langs straat te gaan, op straffe, dat, zoo het tegendeel door iemand werd gezien en ondervonden dezelve zal verbeuren een boete van 25 gulden.' Bovendien moesten beide personen elkaars huis mijden, en mochten malkander niet weer kwalijk bejegenen. Bij gebreke van dien zouden ze kennis maken met 's heeren gevanckenis.
 Dat was nu al voor den tweeden keer dat aan Willem Naters - ook wel geschreven Natris- het gebruik van zijn wandelstok verboden werd. Den eersten keer had dat plaats gehad den 22en Mei 1706, en toen werd er in de Resolutie daarvoor als reden opgegeven, dat hij zulk een oploopend, ontvlambaar karakter had. Hij mocht, heette het toen, noch met zijn rotting gaan, noch veel minder daarmede iemand aanvallen, terwijl de dienders gerechtigd waren hem den wandelstok eenvoudig af te nemen als hij daarmee liep.
  Later schijnt hem weer toegestaan te zijn om met zijn wandelstok rond te wandelen. Maar dat er na vier jaren zijn karakter niet minder opbruisend op was geworden, heeft ons de bovenstaande Resolutie geleerd.