Men loopt over de bevroren Maas. 2 Febr. 1624. Om twaalf uur breekt de Maas op en om twee uur zeilen reeds de schepen uit zee naar Maassluis.
Bepaling van de wijze waarop het jaargeld van de klapwakers door de inwoners betaald zal worden.
Publicatie tegen het tappen aan militairen.
In de opdracht aan Prins Willem III wordt uitdrukkelijk verklaard dat Den Briel en het Land van Voorne tot de provincie Holland behoort.
Resolutie omtrent een nieuwe brug bij de Waterpoort om de beesten in de schepen te laden.
Inrichting van de Kerstcollecte voor de armen.
Feitelijkheden in den Brielschen Gemeenteraad (Municipaliteit).

1 februari 1624. Men loopt over de bevroren Maas. 2 Febr. 1624. Om twaalf uur breekt de Maas op en om twee uur zeilen reeds de schepen uit zee naar Maassluis.

Alkemade deelt omtrent de bovenstaande ge-
beurtenis de volgende rijmpjes mede:

't Jaer zestien hondert twintig en vier,
  De Tweede Maend, den eersten dag,
Men voor den Briel, op 't ys alhier,
  Veel kloeke menschen loopen zag.

Den tweeden was een groot gekriel
  Van volk van hier, tot Maasland toe,
Ja zelf de Burgemeester Briel (1)
 En andere meer, betraden 't doe,

Men sloeg daer op de Maas een tent.
 Daar dronk men bier, en zoog tabak,
Tot dat des middags ver omtrent
 't Ys door de vloed aan stukken brak.

Zoo dat uit Zee, ter klocke twee,
 De schepen zeilden met haer vis,
Naar Maeslands sluis, waerom men deź
  Dit stellen ter gedagtenis.

(1) Cornelis Corneliszoon Briel was, met Jacob Van der Goes, van 1 Oct. 1623-1 Oct. 1624 regeerend Burgemeester dezer stad. Telken jare werden met Bamis (d.i. 1 October) twee regeerende Burgemeesters gekozen.

6 februari 1712. Bepaling van de wijze waarop het jaargeld van de klapwakers door de inwoners betaald zal worden.

Of de wijze van belasting betalen in vroegere eeuwen aan ons geleken zou hebben, meen ik te moeten betwijfelen. Werd in die dagen b.v. een straat gemaakt, dat moesten de bewoners dier straat daaraan betalen naar de breedte van hun huis; somwijlen geschiedde naar die berekning het herstellen van kaaimuren en het graven of aanleggen van een haven. Lieden, die in een weinig breden straat woonden, betaalden dus zelden aan zulk een straatbelasting; anderen daarentegen dikwijls. Tegenwoordig betaalt men zijn deel in de gemeenschap en is er daarmee af. Doch hoe men in vroegere dagen op allerlei wijzen had te betalen, toont ook de resolutie op het jaargeld der Klapwakers aan, waaruit wij het volgende onder de oogen onzer lezers brengen:
  Er werd daarin bepaald "dat de Regenten van hare woonhuisen jaarlyks sullen betalen eene gulden ses stuivers, of twee stuivers weeckelyks, de Leden van de Krygsraad dienende, en gedient hebbende, mitsgaders de huisen van twee of meer familiėn bewoont werdende, dertien stuivers jaarlyks, de buiten- en binnen Lootsen tien stuivers jaarlyks, de pakhuisen, koornkassen en schuuren jaarlyks ses stuivers, alle tot laste van de bewoonders; dog van huisen bij de week of maand aan de militie voor zes a agt stuivers weeckelyks verhuurt werdende alsmede van de ledig staande huisen, dat daar van d' eigenaars behooren te betalen jaarlyks ses stuivers".
 Dit reglement op hun jaarloon werd achter de instuctie der klapwakers gevoegd. Zij konden anders moeilijk onthouden wat zij voor ieder huis in de stad van de bewoners in te vorderen hadden.

13 februari 1795. Publicatie tegen het tappen aan militairen.

  Den 24sten Januari 1795 waren de Franschen in Den Briel gekomen. Met groote ingenomenheid bij de Zuidpoort ingehaald, was er een innige verbroedering gekomen tusschen de Briellenaars en de Fransche bondgenooten, weldra gevolgd door feesten en optochten, waarbij één zeer merkwaardig was omdat men geen muziek had, en een dergelijk corps van Hellevoetsluis niet komen kon. Toen had men maar gezongen en af en toe een mopje uitgehaald. Het was nog al bij gelegenheid van het planten van den vrijheidsboom, die eerst in optocht heel Den Briel werd doorgevoerd eer hij op de Markt geplaatst werd om er, na een reeks gezwollen redevoeringen genoten te hebben, lustig omheen te dansen. Of het toen een gezellige tijd was, ņf of er toen menig glaasje gedronken werd op de eeuwigdurende broederschap! Op het laatst werd dat broederschapsdrinken zoo erg, dat de regeering tusschenbeide moest komen, natuurlijk met goedvinden, waarschijnlijk op voorstel, van den militairen gouveneur, die begon te vinden dat zijn Franschjes den Hollandschen jenever te lekker vonden. Toen werd reeds den 13en Februari de volgende publicatie uitgevaardigd, die ik voor de aardigheid in haar geheel weergeef.

Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap!

  De Provisioneele Raad der Gemeente van de stad Brielle heeft met overleg en goedvinden van den commandant van het Guarnisoen alhier, goedgevonden te verbieden, gelijk deselve verbied bij deezen, aan alle herbergiers en Tappers, om aan eenige Militairen, sterken off gedistilleerde Dranken te tappen, gelijk meede om langer als een halff uur na geslagen taptoe des avonds deselve in hunne huisen en Herbergen in te neemen off verblijff te vergunnen, zullende daarop naauwkeurig worden acht gegeeven en alle avonden een Patrouille, visitatie in alle deselve huizen, en herbergen doen. En zullen de zoodanigen welke teegen dit verbod handelen, worden gecorrigeert voor de Eerste Reisen door eene boete van vijff en Twintig Guldens, voor de tweede reis met eene boete van ¦ 50...en voor de derde reis met eene boete door intrekking hunner actes en inhaaling hunner Borden. Een ieder die het aangaat houde zig hier meede ernstig gewaarschuwd en wagte zich voor schade.

Gedaan in de Provisioneele Raad den 13 February 1795. Het eerste jaar der Bataafsche Vrijheid.     (onder stond) De Provisioneele Raad der Gemeente van de stad Brielle,       Ter ordonnantie van deselve,    (was get.) I. Brouwer Secretaris.

15 februari 1674. In de opdracht aan Prins Willem III wordt uitdrukkelijk verklaard dat Den Briel en het Land van Voorne tot de provincie Holland behoort.

  Waartoe heeft Den Briel behoord, tot Zeeland of Holland? Ziedaar een twistvraag die lange jaren vele gemoederen en, het zij gezegd, óók de scherpzinnigste koppen heeft bezig gehouden. De Staten van Zeeland lieten niet af te beweren dat Voorne met Den Briel tot Zeeland moest behooren, terwijl natuurlijk deze plaats liever een stemmende stad van het machtige holland was en bleef. Nu was inderdaad de kwestie niet gemakkelijk uit te maken. Eenvoudig omdat het land van Voorne een geheel zelfstandig gewest was geweest onder eigen heeren en eigen wetten, en dat wel tot 1503 toe. Dit gevoel van zelfstandigheid heeft zich nog dikwijls op eigenaardig krasse wijze geuit. Zoo wilde Den Briel prins Willem den Zwijger wel huldigen als graaf, mits de landen van Voorne als afzonderlijk gewest beschouwd werden. Zulk een eigen plaats wilde het ook in de Unie innemen, en is daar telkens op teruggekomen, tot de komst van prins Willem IV toe.
  Waar deze stad echter kiezen moest bij welke provincie zij ingedeeld zou worden, daar verkoos ze, gelijk we gezien hebben, de provincie Holland. En men hield zich hier of men er verwonderd van opkeek als er beweerd werd dan Den Briel feitelijk tot Zeeland behoorde. Toch komt het in een paar Resoluties sterk uit, dat Den Briel zich onwillekeurig niet tot Holland rekende, en deze Resoluties zullen wel zorgvuldig verborgen gehouden zijn (gesteld dat men wist dat ze in het Memoriael-Bouck dezer stede geschreven stonden) toen men midden in het twistgeding was.
  Zoo zegt een Resolutie van 24 Sept. 1543 dat ' Willem Rutgerszoon en Corn. Adriaenz' gecommitteerd zijn, 'am te reysen in Hollandt en aldaer te visiteren en vernemen aengaende die priviligiėn van den backers, cramers, weeffvers en dyergelycke hoe men in andere steden daervan hanteert en handelt.' En een Resolutie van 30 Oct. 1545 luidt: Ten zelve daege zoe es Mr. Willem Rutgersz. gecommitteert te trecken binnen der stede van Delft ende in Hollandt ome te vereyschen ende vernemen naerde ordonnantie vande backer up wat gewichte men het broodt backt.'
  Welnu- als men in Holland moet trekken, d.i. naar Holland gaan, woont men niet in Holland.
  Doch op 17 Nov. 1576 vond ik een Resolutie waarin iets dergelijks tegenover Zeeland vermeld werd:
   'Up huyden soe hebben die van de Gerechte geaccordeert ende toegevoucht Jacob Jansz. stedeboode 20 pond groot vlaems voor zijn dienst en moeyte dat hij in Zeeland gereyst is geweest met Cornelis Adraensz, burgemr. en Huych Willemsz. Brouwer, schepen deser stede.'
   Hoe dit alles ook mocht zijn, en wat er verder nog aangevoerd of beweerd is, den 15en Februari 1674 maakten de machtige Staten van Holland door hun uitdrukkelijke verklaring aan den Prins, een eind aan de kwestie- en sedert behoort Den Briel officieel tot Holland.

20 februari 1652. Resolutie omtrent een nieuwe brug bij de Waterpoort om de beesten in de schepen te laden.

  Deze Resolutie luidt:
Is goedgevonden dat men tot gemak van de reizende luiden wederom zal doen maken een houten brug (alzoo de andere overmits het hoogwater is weggespoeld) waarover alle paarden, koeien en andere beesten in de schepen zullen worden gedaan, welke brug zal worden vastgemaakt met een ketting en slot omtrent den hoek aan de Waterpoort; en is diensvolgens gemachtigd, zulks hij gemachtigd wordt bij dezen, Bartholomees Van Dijck, portier in de voorzegde Waterpoort, om het opzicht en de reparatie aan dezelve brug te doen en te nemen, mits genietende van elk persoon, die eenig vee over dezelve zal willen leiden, één stuiver voor bruggeld.

22 februari 1744. Inrichting van de Kerstcollecte voor de armen.

  Op klachten van den kerkeraad dat het aantal armen zoo sterk vermeerderde, werd besloten voortaan op den 1sten Kerstdag, tusschen de twee predikatiėn in, een publieke collecte voor de stad te laten doen, door een diaken met een lid der Magistraat en voorafgegaan door een stadsbode en een weesjongen. Voor deze collecte werd de stad in 4 wijken verdeeld. Tot Wijk A behoorden de volgende straten: Van het Stadhuis tot de Zuidpoort aan beide zijden, met de sloopen, de Turfkaai, de Kaaistraat, het Scharloo, met het Slagveld tot aan de meestoof, het Verkeerde Slagveld, tot aan het Boterslop en de Vischstraat aan beide zijden.
  Tot Wijk B: Van het Stadhuis de Kapoenstraat langs aan weerskanten tot aan het Maarland, met de Rosmarijn en Kuiperstraat, het Boterslop en Ketelslop alle aan beide zijden.
  Tot Wijk C: Het Maarland aan de Noordzijde tot aan de Lage Brug met het Dijkslop en de gehele Zuidzijde met de Kerkstraat, de Zevenhuizen, het Molenslop met het Verkeerde Slagveld tot aan het Magazijn.
  Tot wijk D: De Langestraat aan beide zijden met een gedeelte van het Maarland aan de Noordzijde tot aan de Lage Brug met het Kerkhof, rondom de Groenmarkt, rondom de Pomp tot aan het Kattenslop met de Comanstraat.   Volgens Jan Kluit is in verschillende wijken ontvangen in 1744.
Wijk. A: 279 gld. 2 st. 0 penningen.
" B: 179 " 8 " 12 "
" C: 179 " 13 " 8 "
" D: 81 " 15 " 0 "
dat is bijna f 720.
en In 1745
Wijk. A: 201 gld. 19 st. 12 penningen.
" B: 155 " 10 " 4 "
" C: 127 " 6 " 0 "
" D: 74 " 13 " 0 "
dat is ruim f 559; al heel wat minder dus.
Tot en met 1776 komt het bedrag niet meer boven de f 500. In 1776 is het bedrag f 472 6st.

27 februari 1798. Feitelijkheden in den Brielschen Gemeenteraad (Municipaliteit).

  Oostenrijk heeft zijn onstuimige zittingen gehad, Frankrijk en Italiė hebben ze gekend in hun wetgevende vergaderingen, waarom zou Den Briel er ook geen aan te wijzen hebben in zijn jaarboeken? Inderdaad heeft onze stad zich nu juist honderd jaar geleden zulk een weelde veroorloofd.
  Er waren- reeds in den Patriottentijd- verschillende politieke genootschappen opgericht welke den naam droegen van Sociėteiten. Een dier Sociėteiten, die den naam van Voor Een- en Ondeelbaarheid droeg, was door verschil in zienswijze der leden in twee deelen gesplitst, het eene gedeelte bleef bij bij Robertus Smitt vergaderen, het andere deel had het koffiehuis van Gideon Radix opgezocht, een bord doen beschilderen met de woorden Voor Een- en Ondeelbaarheid en dit voor het koffiehuis uitgehangen. Het spreekt wel van zelf dat zulk een raar soort van Een- en Ondeelbaarheid niet onaangevochten kon blijven, en toen er juist dezer dagen een aanschrijving kwam van het Administratief Bestuur van het voormalige gewest Holland, waarbij alle Municipaliteiten en besturen gelast werden om onmiddellijk alle verdachte ( d.i. Gemeenebest- en Oranjegezinde) Sociėteiten te sluiten en 'op de leden van die vernietigende Sociėteiten een wakend oog te houden'- was de Een- en Ondeelbaarheid die bij Robertus Smitt vergaderde van oordeel, dat het andere deel van Gideon Radix tot de verdachten behoorde. En hierover nu kwam in de vergadering der Municipaliteit (zooals de Gemeenteraad toenmaals genoemd werd) de Baljuw Rochus Sandifort met de raadsleden spreken. Eerst liep alles op rolletjes. De Baljuw klaagde er over dat de Oranjegezinden hun loop hadden in het koffiehuis van Ary Van 't Wout, en daarop werd goedgevonden den Baljuw te verzoeken dien kastelein bij zich te ontbieden en hem eens een priem op den neus te zetten. Van een club sluiten was hier geen sprake; eenvoudig omdat er geen club van Oranjegezinde was en wel niet mogelijk gedacht kon worden. Maar- er was in Den Briel nog een rondgaand gezelschap of zoogenaamd kransje; wat moest men daartegen doen? Want alweer: het wąs geen club of sociėteit. Wel...men zou op dit kransje een wakend oog houden. En dit was ook weer in orde. Doch nu kwam de zaak: dat bord bij Radix moest weg. Onmogelijk, zei de President, want ik heb er zelf de toestemming toe gegeven. Hij redeneerde daar nu zo krachtig voor, dat hij de meerderheid der vergadering overtuigde, en er besloten werd dat het bord mocht blijven, tegen welk besluit de burgers (zoo was toen de algemene titel) Lelyzee van der Waal en Van Beelen protesteerden. Nu werd tot den Raad toegelaten een Commissie uit dat deel van Een- en Ondeelbaarheid dat bij Robertus Smitt vergaderde. Deze Commissie bestond uit de burgers Roeloffs, Penning, Muller, Cornelis Beyers en Corpel. Ze hadden het natuurlijk over die afgescheidene broeders, die bij hen in den reuk stonden van Gemeenebest- ja zelfs Prinsgezind te zijn. Nadat hun woordvoerder zijn hart gelucht had, verzocht de President aan de Commissie om even in de kamer naast de raadzaal te gaan, doch de Baljuw en een ander lid der Municipaliteit was hiertegen en vond dat de Commissie wel bij de beraadslaging mocht tegenwoordig zijn. De President verlangde stemming, en de meerderheid besloot dat de Commissie weg moest. De President verzocht haar zich te verwijderen, maar daar begon de Baljuw te schreeuwen, en een ander raadslid hielp hem: 'Neen blijven, blijven, Burgers; blijven zul-je,'waarop de leden van de commissie, speciaal Roeloffs en Corpel, zich bij “t geroep voegden, de onbetamelijkste uitroepingen deden, en alles op het punt staande om op dadelijkheden uit te barsten, heeft de President met een hamerslag verklaard de vergadering te houden voor gedissolveerd.“
  “Hierop de Commissie willende uitgaan, is de woede vermeerderd op het geroep van den burger Huigens “je stuk, Burgers, je stuk moet je terug hebben“ vallende de Commissie speciaal Roeloffs en Corpel, als op den President, die sustineerde dat het stuk op de Secretarie dezer stad behoorde, waarop de President het stuk overgaf en de Commissie voorts heengaande onder de zwaarste bedreigingen en ruwste bewoordingen. Eenige leden der vergadering, zijn binnengebleven en door den congierge Nijs bericht ontvangen hebbende dat onder de Commissie op de voorzaal onder anderen was gezegd, “komt het volk bij een“ en ziende op het buiten komen dat de Sociėteitsleden inderdaad naar den Doele liepen, is de President geassisteerd door den Secretaris verzocht geworden den Franschen Commandant Bourgade te inviteeren, een wakend oog te houden opdat geen hostiliteiten zouden gebeuren voorts om voor notaris en getuigen te declareeren hetgeen op het einde der vergadering was gebeurd, om te dienen waar het behoort.“
  Dit muisje had nog een lelijk staartje. Dienzelfden avond kwam het tot een gevecht voor het huis van Radix. Toen had de President, omdat het zijn overtuiging was dat de Baljuw partijdig was, een brief aan den Franschen Commandant geschreven met verzoek om įlle “t samenrottingen op de zachtste wijze te dissolveeren“, wat ook geschied was. Den volgenden dag gaf hij hiervan verslag aan den Municipaliteit, waarbij de burgers Lelyzee van der Waal en Van Beelen lieten aantekenen dat zij het gedrag van den President afkeurden, die aan het eind der vergadering zijn ontslag nam.
  Edoch, niet een van de deeltjes der Brielsche ondeelbaarheid kon genade vinden in de oogen van de hoogere overheid. Den 2en Maart werd de Municipaliteit door een Commissie uit het Administratie Bestuur eenvoudig ontbonden en meteen een eind gemaakt aan het leven der beide Sociėteiten.
  Toen zei de Secretaris Van Lith, dat als de heele Raad ontbonden werd door zulk een machtig lichaam, hij ook wel zijn matten kon oprollen. Zeer eigenaardig was het antwoord dat hij kreeg “Secretaris“, aldus luidde dit, “wij verzoeken dat gij zitting houdt gij zijn minister zijn de leden kwaad, zij zijn ontbonden. Wij verzoeken u dat gij met onzen secretaris de leden van de nieuwe Municipaliteit, zijnde in Leenmannenkamer, gelieft hier te verzoeken en op te leiden.“
  En aldus geschiedde het.