Kwestie over de proef van Jan Moerman.
Den orgelmaker Gerard Steevens vijftig gulden toegelegd om het orgel geheel in orde te brengen.
De Brielsche Toren door den bliksem getroffen.
Resolutie omtrent de bedestonden voor den val van Charleroi.
De onder-Secretaris beklaagt zich dat hij in de belasting te hoog is aangeslagen.
Door B. En W. 50 gld. Beschikbaar gesteld voor de operatie van een inwoner der stad.
Bevel aan den chirurgijn Boeijmeer om een lijk naar het Gasthuis terug te brengen.
De tijding van de geboorte eener Prinses bereikt des avonds om 6 uur 50 Den Briel.

2 augustus 1788. Kwestie over de proef van Jan Moerman.


 Deze kwestie verplaatst ons midden in de haarkloverijen van den langdradigen pruikentijd. De eerzame Jan Moerman wilde zich in Den Briel neerzetten als mandenmaker en dacht nu dat zijn kostje gekocht was. Maar David van Aken, meester mandenmaker binnen deze stad kwam met een breed uitgesponnen request tot de Regeering en deed haar opmerken dat als Jan Moerman de gildeproef wilde afleggen, waartoe hij zich tot het Sint-Jozefs- of Timmermansgilde gewend had (onder welk gilde de mandenmakers gerekend werden te behooren) hij dan ook de eenige en echter de waarachtige proef moest afleggen, die bij den gildebrief was vastgesteld. Tegenwoordig maakte de nieuwe opkomende heeren mandenmakers zich er met een flauwiteit af; dat moest uit zijn. En de goede Jan Moerman zou niet eer de klanten kunnen bedienen, voordat hij de proef had afgelegd welke in overoude tijden was vastgesteld.
 Tegen dezen eisch was in dien tijd niet veel te zeggen. Ongelukkig wisten de Heeren niet wat die oude proef was, en geen sterveling in Den Briel wist dat. Goede raad was duur.
 Men wendde zich tot den Hoofdman, den Boekhouder en de Dekenmeesters van het Sint-Jozefsgilde, die - bij gebrek aan een stedelijk archivaris wien men anders gaarne zoo iets overlaat- verplicht waren den neus te steken in de oude paperassen en hun oogen blind te turen op het wonderlijke, er op het eerste gezicht als Hebreeusch uitziende schrift onzer voorouders. Eindelijk had men den gildebrief van den 7en Maart 1582 te pakken, waarvan men het tweede artikel onder de aandacht der Heeren bracht.
 De Heeren waagden er liever hun oogen niet aan en lieten zich dat tweede artikel voorlezen, waarin voorgeschreven was welke proef een candidaat-meester-mandenmaker moest afleggen. Volgens de lezing der commissie moest die maken 'een teenen overdekte vrouwenstoel, een geruit flijer, een vierkante flijerkorff ende een groene prikhouwer' (1)
 Ú zegt...?'vroegen de Heeren, en brachten de hand achter het oor, want wat de meeste van die dingen waren, die Jan Moerman zou moeten maken, wisten de Heeren niet...al wisten zij haast alles.
 Ja, hoe kon nu Jan Moerman eenige voorwerpen maken, waarvan geen sterveling meer het model kende en waarnaar sedert meer dan een eeuw geen navraag meer was!
 Nu ging men heerlijk achttiende-eeuwsch te werk. Een commissie werd benoemd om de kwestie tot een punt van studie te maken. Op den 16en Augustus werd deze commissie benoemd en daarna hoorde men er in zooveel maanden niets van, dat men ging vreezen hoe de Heeren heel het zaakje maar in den doofpot hadden gestopt. Doch....David van Aken waakte nog! Den 9en Mei van het volgende jaar- het groote jaar 1789!- kwam hij weder met een request. Een lastige man voor dien tijd!
 Want de Heeren herinnerden zich nu weer dat Jan Moerman nog altijd onbeproefd was, en gingen daarom eens luiden bij de leden van de commissie, die eindelijk, den 6en Juni 1789 voor den dag kwamen met hun rapport. Met hooge wijsheid werd betoogd dat men, om mandenmaker te worden, geen dingen behoefde te maken die geheel uit den tijd en de mode waren, en waarvan de oudste menschen geen weet hadden, en daarop werd op voorstel der commissie, bij Resolutie vastgesteld: 'dat, zoo wie het ambacht als mandenmakersbaas binnen deze stad zal willen oefenen, gehouden en verplicht zal zijn tot een proef te maken deze vier stukken als: een fijne wieg, een vuurmand, en voort een vierkante luierkorf en een groenen prikhouwer.'
 Zoodat Jan Moerman eindelijk wist, waaraan hij zich te houden had.

(1) <br>&nbsp;In art. 2 van den Gildebrief van 1582 (reeds door den heer De Jager in 'de Navorscher' gepubliceerd) stond 'tot een prouve eenen teenen overdecten vrouwen stoel, een geruijt flijer, een vijercante luijerkorff ende eeenen groenen prickhouwer,'

7 augustus 1762. Den orgelmaker Gerard Steevens vijftig gulden toegelegd om het orgel geheel in orde te brengen.


 Zooals we in dezen Kalender op 26 juli 1578 schreven, werd in het jaar 1677 het orgel verplaatst naar den voet van den toren. Was men zoo blij met dit verfraaide instrument dat men er elken dag orgelconcert op wilde hebben, men heeft er in het verloop der eeuwen, zeer veel verdriet van gehad. Van een dier vele tobberijen spreekt bovengemelde resolutie, waarvan de inhoud aldus was:
 'De Heer Burgemeester Van der Sluijs heeft ter vergadering medegedeeld, dat de orgelmaker Gerard Steevens in 's-Hage, aan wien het orgel in de Groote Kerk binnen deze stad is aanbesteed geworden om te repareeren en van alle defecten te zuiveren, had opgegeven behoorlijk te zijn gerepareerd; doch dat hij bij examinatie was bevonden dat de Vox Humana geenszins kwam te voldoen mitsgaders ook nog eenege kleine defecten waren ontdekt; dat (men) denzelven orgelmaker daar van had doen kennis geven met aanzegging dat (hij) die defecten alsnog moest komen repareeren en in volkomen orde brengen alvorens hij zijn betaling kan obteneeren, dat de voornoemde orgelmaker, Steevens, vervolgens weer is overgekomen en het orgel nader heeft geexamineerd en vervolgens erkend, dat de Vox Humana niet komt te voldoen maar excipeert dat die volkomen te maken onder de aanneming niet is begrepen, doch dat om te toonen dat hij zeer gaarne alle genoegen en contentement aan Hun Ed. Achtb. zou willen geven, zoo presenteerde hij de Vox Humana geheel te vernieuwen en de nog bevonden wordende defecten aan het orgel allen te zullen repareeren en in volkomen orde te brengen; en de pijpen op te polijsten, zoo wanneer Hun Ed. Achtb. hem nog vijftig gulden daarvoor zouden gelieven toe te leggen, schoon het hem zelf meer dan honderd gulden zou komen te kosten. Waarop gedelibereerd zijnde, goedgevonden en geresolveerd is ten einde het orgel nu eens in volkomen orde te hebben, de verzochte vijftig voor het volkomen in orde te hebben, de verzochte vijftig gulden voor het volkomen in orde maken zoo van de Vox Humana als verdere defecten van het orgel te accoordeeren onder conditie dat hetzelve alvorens door kundige lieden hen zulks verstaande (zal onderzocht worden,) of alles behoorlijk gemaakt en volkomen is, alvorens de betaling aan hem zal worden geaccordeerd.

14 augustus 1456. De Brielsche Toren door den bliksem getroffen.


 In een manuscript zonder naam, ´waarschijnlijk in Rotterdam geformeerd´ vond Jan Kluit in de vorige eeuw het volgende aangetekend: ´In ´t jaar 1456 stortte de groote Toren van Den Briel in door den donder.
 ´En dus ­aldus merkt Jan Kluit terecht op­ bekomt men nu licht genoeg ter verklaring van het opschrift dat thans nog voor den Toren gevonden wordt, behelzende: ´in ´t jaar 56 ­dat is 1456­ stortte hij neder, 14 dagen in Augustus,´
  Deze maand was overigens niet gelukkig voor dit gebouw. Tweemaal in het tijdsverloop van 24 jaar, en beide keeren in Augustus, sloeg de bliksem zoowel in de kerk als in den Toren. We laten dit door Jan
  Kluit, als tijdgenoot, mededeelen:
 Op den 12en Augustus van den jaare 1763 -aldus schrijft hij, en we geven voor dezen keer woordelijk en in zijn spelling zijn getuigenis weder- had men in den nagt een zwaar onweer van donder een blixem en sloeg in de grote Tooren en Ca(tharina) Kerk deser stad, ´t onweder begon omtrent te twee uure, en was zoo als het schier iemand gehoord of gezien hadden zulks er zeer vele ingezetenen uit hunne huizen en bedden op de straat vluchten, de Blixem sloeg omtrent te half drie uure met een vreeselijk gedruis in de kerk, makende aan de zuidzijde onder het derde glas één opening in de hardsteenen muur, van 2½ voet in ´t vierkant, waarvan de steenen geheel vergruist, en ´t lood in de Raamen gesmolten was. Boven op den Toorn regt voor den ingang was ´t gewelf ter lengte van 4½ en ter breedte van drie voeten gansch weggeslagen, de Peer boven den stander van het Baken wel vijftig voeten hoger dan ´t gewelf was aan de Noord-kant geheel weg en aan de zuid-zijde hingen er de spaanders bij neder, en in ´t Baaken zelve waaren meer als dertig groote glazen verbrijzelt. ´t Scheen dat deze straal van ´t Noorden naar ´t Zuiden was verschooten, althans, in de kerk was ze boven de weesbanken in gekomen en heeft zijn force gedaan in de muur en Raam agter de Predikstoel, waarvan wij boven gewaagde, bijzonder was het dat men nergens eenige versenging is gewaar geworden, mogelijk heeft op de Tooren een ongemeene sware regen, die er doen gevallen is, zulks verhindert.
 Juist 24 jaren daar na namelijk op den 12 Aug. 1787, ontstond er des Nagts, na een zeer warme dag, een swaar onweer van donder en Blixem, zulks dat in den morgen even na half drie uuren, de Blixem, met eene inmiddelijk daarop volgende swaare Rateldonder, in de Lijst van de goot van het vuurbaken dat boven op den grooten Toorn staat, sloeg, dewelke inmediaet, in Brand geraakt, vloog van daar in de makelaar (welken in den Jaare 1763 door de Blixem vernielt en doen vernieuwt was) die mede aldra in volle vlam stond; door het luide der Brand en andere klokken en het slaan der trommen geraakte alles rasch op de been en veele achter aan den Toorn, maar ziet er was niemand die naar boven wilde, tot dat er eindelijk een zeer Fatsoenlijke jongeling, één Burgerszoon genaamd J. K: zich aanbood, dat indien er maar iemand met hem wilde gaan hij zich aanbood de eerste te zullen zijn; dit werdt door één stadswerker genaamd Arij van der Hock geaccepteerd, en deze liepen met één Lantaarn direct na boven en daar gekomen zijnde vonden zij de voorn goot en makelaar in brandt, goede raad was duur. Zij sloegen direkt de glazen in van ´t Baken vonden daar een vat water (nadat zij vooraf de deur met één ijzer hadden opgebroken) en blusten, door die uitgeslage glazen de brand in de Lijst, daar het meeste gevaar van afhing, vervolgens kregen zijn bijstandt, door manschap met ladders die drie aan elkander gebonden, de brand in de makelaarblusten met water dat hun door een aantal menschen van beneden af tot boventoe wierdt aangereikt, ´t was omtrent vier uure dat de makelaar afbrak en tuimelde al brandende eerst op de koepel en zoo over de Balustrade aan de overzijde naar beneden geluckig zonder een menigte menschen welke onder aan den Toorn stonden te kwetsen en omtrent vijff uure was de brand geblust.´
  Ik heb dit zoo letterlijk weergegeven, omdat zich hier het zeldzame geval voordoet dat Jan Kluit zich in een datum vergist heeft. Uit de Magistraats-Resolutiën toch verneemt men, dat in den vroegen morgen van den 10en Augustus 1787, namelijk om 4 uren, de heeren Van Dam van Aerden (burgemeester.) Preuit, Kruine, Van Oosten, Bresser, De Meij, Hoog (schepenen) en Van Sina (raad) op het Stadhuis bij elkaar kwamen om de leiding van het blusschen van den brand in handen te nemen. In de vergadering van den 11en Augustus werd door de Stadsfabriek Van Westenhout een lijst aan Hun Ed. Achtb. overgeleverd van 14 personen die zich onderscheiden hadden, met bijvoeging dat Willem Ros, portier van de Waterpoort en timmermansknecht bij , zich zeer onderscheiden had, ´als hebbende den brand met groot gevaar van zijn leven gebluste.´Die 14 personen kregen een pluimpje en elk een zilveren ducaton, terwijl Willem Ros er 4 kreeg.

16 augustus 1677. Resolutie omtrent de bedestonden voor den val van Charleroi.


  Op aanschrijven van Gecomitteerde Raden werd besloten dat alhier in de 'publieke kerk' de gebeden daarnaar zouden worden gedirigeerd, ´dat God Almachtig ijverig en hartgrondig werd gebeden, niet alleen de wapenen van den staat, als deszelfs hooge geallieerden alom genadiglijk te willen zegenen, speciaal dat de sterke forteresse van Charleroi spoedig door het succes van hun wapenen mag worden bemachtigd; maar ook inzonderheid dat zijne Goddelijke Majesteit gelieve den persoon van zijn Hoogheid den heer Prins van Oranje te nemen in Zijn goede protectie, denzelven bewaren in lijfsgezondheid, en voorts voor alle gevaar en ongeval gelieve te beschutten en bewaren. En opdat de Gemeente daartoe des te meer mag worden aangezet en opgewekt, dat in de week op den voorzeiden preekstond met de groote klok geluid zal worden; dat mede bij betere gezondheid van de broederen predikanten (waarvan eenige ziek waren) ook des Donderdagsavonds te zes uur mede een plechtig gebed zal worden gedaan.´

21 augustus 1677. De onder-Secretaris beklaagt zich dat hij in de belasting te hoog is aangeslagen.


 ´Dat is toch niet veel wat zoo´n onder-secretaris verdiende´, zeide mij iemand toen ik vertelde dat het tractement 250 pond bedroeg. Toen heb ik de Resolutie van den 21sten Augustus 1677 opgeslagen en voorgelezen, en...er werd nu niet meer gesproken van het te lage tractement. Ja, zoo officieel weg, had zoo´n onder-secretaris niet veel salaris, al is 250 gld van toen veel meer dan 250 gld van heden. Maar er kwam nogal het een en ander bij. en Joan van Vasthoff, die den 24en Juli van dat jaar in plaats van Willem Hoijer benoemd was, had geen vrede met de wijze waarop hij in de belasting werd aangeslagen. De volgende Resolutie zal dit niet alleen vermelden, doch ook een kijkje geven in de toenmalige verdiensten der ambtenaren van de Secretarie.
 ´Op het verzoek bij den Substituut-Secretaris Vasthofgedaan, behelzende, dat alzoo deszelfs ambt als onder-Secretaris in het kohier van den personeelen 200en penning zeer hoog, was aangeslagen en getaxeerd, hetzelve ter discretie van Hun Achtb. Indien niet geheelijk geremitteerd, ten minste zoodanig mocht worden gemodereerd als Hun Achtb. In billijkheid zouden bevinden te behooren. Waarop gedelibereerd zijnde, is goedgevonden en verstaan, dat de voorzeide Subst-Secretaris zal mogen volstaan en niet verder verschuldigd zijn dan jegens 1500 pond, in plaats van 2500 pond, waarop het voorzeide ambt te voren getaxeerd stond.

23 augustus 1843. Door B. En W. 50 gld. Beschikbaar gesteld voor de operatie van een inwoner der stad.


 In de Vergadering op bovengenoemden datum, waarin tegenwoordig waren de heeren: J. Van der Minne, burgemeester, en Mr. N.J.C. Lette van Oostvoorne en A.H. Van Kruijne als Wethouders, werd het volgende behandeld:
 ´Door het groot armbestuur aan deze kamer mededeeling gedaan zijnde dat de Heer Medæ Doctor en Oculist Mensert den blinden Balt de Willigen had waargenomen en denzelven geschikt had bevonden voor de operatie der cataract-lichting, alsmede dat gezegde Heer genegen was die operatie te bewerkstelligen van f50-; zoo is na deliberatie goedgevonden te bepalen, dat tot gezegd einde dezelve som van f50- beschikbaar worde gesteld, zullende verder de lijder na de kunstbewerking tot zijn herstel in het gasthuis te dezer Stede worden opgenomen en verpleegd.
 In dezelfde vergadering werd, onder meer, Heereman Vrijhof benoemd als zakkendrager in plaats van Leendert Verhagen, die overleden was, en werden als schutter eervol ontslagen, omdat zij den leeftijd van 34 jaar volbracht hadden: A.A. Posthumus, L. De Neef, J. De Bruin, A van Santen, S. Knop, L. Van Edenburg en W. Peters. Eenigszins vreemd is het dat nu al aan eenen Altink, toneeldirecteur te Amsterdam, die gedurende de afgeloopen Kermis toneelvoorstellingen gegeven had, op zijn verzoek werd toegestaan om ook in het jaar 1844 alhier op de Kermis te komen. Een bewijs dat de man het goed had gedaan.

28 augustus 1683. Bevel aan den chirurgijn Boeijmeer om een lijk naar het Gasthuis terug te brengen.


 Tegen het einde der maand Augustus van het jaar 1683 stond Den Briel op stelten. In het Gasthuis toch was 'een zeker vrouwspersoon van Vlaardingen' gestorven, het lijk was uit het Gasthuis gehaald en naar 'een burgershuis' gebracht, en nu liep het gerucht dat het lijk door geneeskundigen ontleed werd voor hun studie. De regenten van het Gasthuis werden door de regeering geïnterpelleerd, en namens hen kwam Dirck van Egmond het feit bevestigen dat het lijk 'albereids geanatomiseerd was'. Een streng onderzoek werd ingesteld, wat tengevolge had dat er den 28sten Augustus het volgende besluit genomen werd, dat wij voor ditmaal, bij uitzondering, in de schrijfwijze van die eeuw teruggeven. Het karakteristieke van het geval in dien tijd komt er beter door uit.
 'Es goetgevonden door een Stads Boode te doen ordonneren aenden Chirurgijn Boeijmeer ende den knecht vanden heer van Dijck, wederom int Gasthuijs te doen brengen, de beenen van het geanatomiseerde vrou mensch, alwaer tselve bij den Doctor gevisiteert sijnde of het scheleton compleet is, dat alsdan het vlees ende ingewant, dat aangewesen sal moeten werden waer het begraven is, ende dat alsdan tselve met meerder aerde overdect ende versekert sal moeten werden.'

31 augustus 1880. De tijding van de geboorte eener Prinses bereikt des avonds om 6 uur 50 Den Briel.


  'Het is, 'aldus schreef toen ter tijde het Dagblad, 'voor de eerste maal dat aan een Koning en een Koningin der Nederlanden een dochter geboren is. Immers H. K. H. Prinses Marianna is geboren in den tijd der ballingschap en verdrukking en H.K.H. Prinses Sophie was het kind van den Prins en Prinses van Oranje.' Dit mocht iets merkwaardigs zijn, toch kan men niet ontkennen, wanneer men de nieuwsbladen uit dien tijd herleest, dat de natie liever een Prins had begroet. De toenmalige schrijver van het Binnenl. Overzicht in het Weekblad van 5 Sept. 1880 drukte zich aldus uit: 'Het is een meisje. De natie had liever een jongen gehad. Maar men ziet het, zelfs in een Koningshuis kan men dat niet dwingen. En hoe gaat het in het dagelijksch leven: Vader en moeder en de vrienden en magen bouwen al hun hoop en al hun verwachtingen op....een jongen of een meisje....naar dat men dat het liefst heeft. En ziet, als de jonggeborenen dan van het andere geslacht is, heft men de kleine toch dankbaar in de hoogte, en men heeft het kind even lief, alsof alle wenschen waren vervuld geworden. Zoo zullen wij dan nu ook doen met de Prinses. Wel is het goede kind met slechts de helft der kanonschoten verwellekomd, van die aan een Prins zouden zijn gespendeerd, maar als telgje van het Oranjehuis zal zij zeker even goed een plaats veroveren in het hart van het Nederlandsche volk, als alle andere telgen van dat huis vóór- en namaals gedaan hebben.'En de N. Brielsche Courant: 'Dat velen zich nog meer zouden hebben verblijd met de geboorte van een prins, is natuurlijk; maar er valt niet te redetwisten over zaken, die buiten en boven het menschelijk overleg zijn geregeld.'
 De tijding was nauwelijks in onze stad bekend geworden (en vlug genoeg ging dit, omdat de bulletins binnen enkele minuten na de ontvangst van het bericht door de stad werden verspreid) of er openbaarde zich op dien mooien zomerschen Dinsdagavond een opgewekte, vroolijke stemming. Het Weekblad deelde het aldus mede: 'Onze ijverige stadsmuziekmeester (dat was de brave en zoo algemeen geachte mijnheer Tibbewiens nagedachtenis bij dit geslacht nog in vriendelijke herinnering is gebleven) liet al spoedig na het bekend worden der tijding het carillon hooren, terwijl de muziekvereeniging Harmonie op de markt eenige muziekstukken uitvoerde, die zeer goed ten gehoore werden gebracht. Ook de schooljeugd gaf blijken dat zij verheugd was, door de stad in groote getale zingende door te trekken. Den daaropvolgenden Woensdagmorgen omstreeks 7 ure werd een salut van 51 kanonschoten gedaan, en ten 12 ure des middags van dien dag eene parade gehouden door de Torpedo-compagnie en de Stedelijke Schutterij. Van alle Rijks- en gemeentegebouwen en ook uit een aantal woningen wapperde de nationale driekleur.'