19 april 1664. Order nopende de regeering van het Weeshuis en het Gasthuis
  "En is bij de voorz. occasie verstaan en geresolveerd dat ten meesten dienste en welstand van de respectieve Godshuizen,
en speciaal van het Weeshuis en Gasthuis, van nu voortaan en in conformiteit van de Resolutiën voor dezen bij de Vroedschap
genomen, de directie en dispositie van de voorz. huizen zal zijn bij de Vaders en Regenten van de voorz. Godshuizen, en dat dienstvolgens alle bijeenkomsten en vergaderingen zullen worden geleid
door den oudsten Regent, of andere daar opvolgenden die in zijn absentie zullen komen vaceeren, en niet door den Boekhouder,
en dat aldaar alles wat de voorz. Godshuizen betreft, en den welstand van dien zou mogen vereischen, zal worden geventileerd
en verhandeld.'