Geen vriend'lijke engel daalt van boven af,
't Blijft in zijn ziel zoo donker als het graf. —
Daar was het, of een mensch zich naast hem boog. ..
En even, schuw en angstig, heft hij 't oog.
Hij huivert. .. Naast hem knielt een heilssoldaat,
Hoe mager en hoe lijdend dat gelaat!
Hij huivert. . . Maar hoe blinkt om dat gezicht
En in dat stralend oog een vriend'lijk licht!
't Blijft in zijn ziel zoo donker als het graf. —
Daar was het, of een mensch zich naast hem boog. ..
En even, schuw en angstig, heft hij 't oog.
Hij huivert. .. Naast hem knielt een heilssoldaat,
Hoe mager en hoe lijdend dat gelaat!
Hij huivert. . . Maar hoe blinkt om dat gezicht
En in dat stralend oog een vriend'lijk licht!
En 't woord, waarnaar zijn gansche ziele smacht,
Dat hij wel nimmermeer van menschen wacht,
Bij welks gemis hij allen moed verloor,
Dat fluistert hem de heilssoldaat in 't oor.
Toen week hem van de ziel die doodsche kou;
Hij snikte alsof het hoofd hem barsten zou.
Hij was niet meer alleen, zoo gansch alleen!
Een glans van vreugd blonk door zijn tranen heen.
Hem werd het menschenhart zoo ruim, zoo wijd!..
Toen heb ik hem die zondaarsbank benijd.
Dat hij wel nimmermeer van menschen wacht,
Bij welks gemis hij allen moed verloor,
Dat fluistert hem de heilssoldaat in 't oor.
Toen week hem van de ziel die doodsche kou;
Hij snikte alsof het hoofd hem barsten zou.
Hij was niet meer alleen, zoo gansch alleen!
Een glans van vreugd blonk door zijn tranen heen.
Hem werd het menschenhart zoo ruim, zoo wijd!..
Toen heb ik hem die zondaarsbank benijd.