Hij moest eens even kijken
Wie daar voorbij hem ging;
Ik zag twee bruine kijkers . . .
Daar voer een siddering
Mij door de leden; was dat
Die jongen niet, die guit,
Hij, dien ik dacht als shipsboy
Van de een of and're schuit?
Wie daar voorbij hem ging;
Ik zag twee bruine kijkers . . .
Daar voer een siddering
Mij door de leden; was dat
Die jongen niet, die guit,
Hij, dien ik dacht als shipsboy
Van de een of and're schuit?
Waar was de ziel in de oogen,
Waar was mijn flinke knaap ?
Die jongen?. .. Hoe. . . die suffer,
Dat wezen, half in slaap ?
Hij... eens mijn kleine zeeman,
De Ruijter in een kiel,
Den zang der zee in de ooren,
Een zeeman in zijn ziel?. . .
Waar was mijn flinke knaap ?
Die jongen?. .. Hoe. . . die suffer,
Dat wezen, half in slaap ?
Hij... eens mijn kleine zeeman,
De Ruijter in een kiel,
Den zang der zee in de ooren,
Een zeeman in zijn ziel?. . .
Toen heb ik met ontroering
En . . . wrokkend aangehoord,
Hoe hier een laffe moeder
Haar jongen had . . . vermoord !
Brielle, Juni 1891
En . . . wrokkend aangehoord,
Hoe hier een laffe moeder
Haar jongen had . . . vermoord !