-
Het is 1609. Het was toen zeven-en-dertig jaren geleden dat Den Briel door de Watergeuzen ingenomen werd. In die jaren hield een Engels garnizoen, bestaande uit ca. 800 soldaten, Den Briel als pandstad bezet.
-
De oude portier was uit zijn hokje in de Langepoort gekomen om aan te horen wat een officier van het Engelse garnizoen hem te bevelen had. Er was een soldaat vandoor gegaan en misschien kon de portier hem daarover inlichtingen verschaffen. Ondertussen was er een slenterende opgeschoten boerenknaap de poort binnengekomen die uit pure nieuwsgierigheid naar het gebroken Hollands van de officier bleef staan luisteren. Nu zou het bij de poortwachter niet opgekomen zijn op een boerenjongen te letten die staat te lummelen en te luisteren, als het hem niet had getroffen hoe gefixeerd de jongen naar de krijgsman stond te kijken
-
Dàt namelijk was de portier opgevallen, en toen de officier rinkinkend heen was gegaan en de jongen hem, als in een droom, altijd nog na bleef staren, hinkte de oude man naar de jongen toe en zei met een vrolijke stem: 'Bijlo, lans!..zou je een zwaard wel lijken?' Met een brutale tartende blik snerpte de jongen: 'Ik wil jouw zwaard niet...en ik wil niet!' Verbaasd keek de grijsaard hem aan. 'Ik dacht, dat alle jonge maats..' Neen, neen!' riep de andere in heftiger wordende boosheid uit, 'ik wil dat zwaard niet, hoor-je!'
-
Juist toen de zonderlinge knaap, schijnbaar zonder enige reden, zo heftig tegen de portier was uitgevaren, kwam er een meisje de poort binnen met het middageten voor de portier. Bij het zien van de boze, norse jongen drong het meisje, Maritgen, zich dicht tegen de oude man aan. Deze moest lachen om haar angst. Hoofdschuddend zag de portier hem aan. 'Wel, vrind..., hoe kòm-je toch zoo boos...en dat op een oude man! De knaap werd bloedrood. 'Wees maar niet bang voor me, vaer...want ik ben eigenlijk geen jongen...''Geen jongen? ''Neen!..want ik màg niet vechten.''Niet vechten?.. Van je vader niet? ''Mijn vader is dood...''Arme jongen; dan heb ik medelijden met je. Het is zonde, een jongen met zulke stevige armen en met een gezicht of, ..of hij je ..., zou je je handen thuis kunnen houden als de Spanjool nog eens om het Brieltje kwam'. 'De jongen kromp in elkaar, tranen sprongen in z'n ogen, en met moeite bracht hij er uit: 'Ik mag immers niet vechten,... we zijn thuis Menist.' Daar ging een licht op voor het oude mannetje, hij begreep dat een Menist het zwaard niet mag voeren. ' Wie is je moeder? 'Vrouw De With' . 'Die ken ik niet...'We wonen op de steê Lagerwoude aan het voetpad naar Hellevoet.' 'Dan moet jij zeker ook boer worden, hè?' 'Weet je wat beters, vroeg de jongen bits. Oud-mannetje glimlachte. 'Dan moet je zien dat je portier wordt, net als ik.
-
Kom maar eens in mijn hokje kijken, dan kun-je zien hoe ik leef.' Ach 't was àl armoe wat de jongen daar zag. 'Zou -je toch liever maar geen knecht worden bij je moeder?' Dat wil ik niet, ik zou portier van een poort aan het water kunnen worden; daar zie-je altijd schepen...en het bootsvolk. 'Oh zoo!´, zei de Portier, ´Zit 'm daar de kneep?
-
Wil-je gaan varen? 'k màg niet gaan varen, zei ik je!' Ach ja, de knaap was van Menisten-ouders, en wie naar zee ging, moest niet alleen stevige knuisten hebben, maar ook met kortjan kunnen omgaan, het scherpe mes, dat, in een leren scheê geborgen, tussen de band van de broek stak. Toen kwam er een groot medelijden in het hart van de grijsaard.
-
In de tijd van jarenlange oorlogen en gevaarvolle zeegevechten, dacht de portier, waren beide even weinig waard. 'Hoe heet je eigenlijk, jongen?' 'Witte', En toen vertelde de oude man Witte wat hij zo-even gedacht had. Toen Witte dit begreep, wilde hij niet langer meer met die sukkel te doen hebben. 'Grijskop', grauwde hij..en wegsnellende, wierp hij de deur achter zich dicht. Toen het meisje weg ging en de portier alleen in zijn hokje zat, zag hij terug in het verleden. En daarin zag hij een kloeke, sterke man, een held, die de vrijheid van zijn stad, nee, land had gered.
-
Enige maanden na de gebeurtenissen in het poortwachtershokje in de Langestraat om precies te zijn in Augustus van het jaar 1610, was er iets heel belangrijks gebeurd in het leven van Witte. Hij had het niet langer uitgehouden om zich door alle jongens op zijn kop te laten zitten. Dominee Leo die predikte in Nieuwenhoorn , - een dorp niet ver van Den Briel - had zich met Witte bemoeid. Om uit die voor Witte ondraaglijke toestand te komen, zou hij zich kunnen laten dopen en daardoor opgenomen worden in de Staatskerk. De elfjarige Witte had geen rustig uur meer gehad vòòr hij hierin zijn zin had gekregen. Toen Witte eenmaal gedoopt was, had dat ook zo zijn gevolgen voor de jongens van Den Briel.
-
Want plotseling konden zijn belagers kennis maken met zijn sterke vuisten. Zo vaak hij kon, ging hij naar het Maarland of op het Hoofd, midden tussen de Brielse zeeleepers en in minder dan geen tijd leerde hij de streken van het kompas en de namen van de touwtjes op een koopvaardijschip. Helaas, kwam er alweer een groot verdriet voor Witte. Zijn moeder had uiteindelijk wel toe willen geven dat haar zoon gedoopt werd en dat omdat zij hem niet wilde zien wegkwijnen, maar zij wilde volstrekt niet hebben dat Witte naar zee ging. En omdat Witte in 't geheel niets wilde weten van de boerderij, moest hij maar in Den Briel op een ambacht.
-
Zo werd hij baandersjongen op een touwslagerij en draaide het wiel op een van de Brielse lijnbanen. Dit was het eerste van de zes ambachten van welke hij vervolgens telkens weer weggejaagd zou worden. Op een van zijn snoepreisjes naar de haven of de reê, dwaalde hij toevallig de kant van de Langepoort uit. Jawel daar zat de portier nog die Witte dadelijk herkende. Het duurde niet lang of Witte had de portier alles verteld en deze keek er erg van op en moest glimlachen, toen de jongen hem deed voelen, dat zij nu geen gelijken meer waren. 'Zeg maar gerust wat je denkt, vrind!..Ik weet het immers veel te goed, dat ik niets meer waard ben. En dat is heus niet erg, die tijd komt voor iedereen, die de goede God met een lang leven wil zegenen. En, weet je wàt erger zou zijn? Als je jezelf moest verwijten, dat je niet gedaan hebt wat je kon toen je in de kracht van je leven was. Witte keek hem nieuwsgierig aan. 'Ben je dan zeeman geweest? Welnu als je hoofd zo vol is van schepen en zeelui, dan ...,dan zal je me misschien ook met een beetje meer achting aankijken, als je hoort dat , nu ja, dat ik eens met de zee zèlf te maken heb gehad en wel op een zeer bijzondere manier.
-
Ik bedoel, het had te maken met de Watergeuzen, Witte!' 'De Watergeuzen?..O, ja, daar weet ik van! Die hebben Den Briel ingenomen en ze hebben een vaatje buskruit bij de Noordpoort doen springen; en toen de deuren in brand vlogen, hebben ze die opengelopen met een mast..'Dat weet je goed, Maar weet je ook wat er verder gebeurd is? Wel toen zijn de Spanjaarden gekomen om de stad weer in te nemen, maar we hebben ze lekker op d'r kop geslagen...en... toen is het hoog water geworden...en zijn ze altemaal verdronken...'Ho, Ho' , riep de portier, 'dan weet je daar eigenlijk niets van. Dat is hèèl anders gebeurd! 'Ben-je er bij geweest?' vroeg Witte met grote verbazing in zijn stem. Wat rees het mannetje in zijn achting, toen het van ja knikte! 'Ik was toen zevenenveertig jaar oud, toen was ik nog niet kreupel en gebrekkig, 'ik ben dat geworden op die dag.' 'Nee, op de vijfde April, ik zal je precies vertellen wat er toen gebeurd is.'
-
Ik zal het nooit vergeten welke akelige ogenblikken dat voor ons waren, toen op de avond van de eerste April de Watergeuzen Den Briel bestormden. Want we waren bang voor de Watergeuzen. Die kenden maar twee soorten van mensen: vrienden en vijanden. ' Nou maar, daar hadden ze gelijk in' meende Witte. We keken, vervolgde de portier zijn verhaal, 'met een bang hart naar de rookwolken, die hoe langer hoe dichter over de stad trokken. 't Was in de straten doodstil, en toen ik even naar mijn werkplaats liep -ik was toen timmerman- , vond ik er nog een gezel die niet terug naar zijn huis vlakbij de Noordpoort durfde te gaan. En daarom nam ik hem me naar mijn huis. Ik zie ons nog lopen door de Langestraat op die stormachtige Dinsdagavond. Donker was het niet, de maan was bijna vol, want de volgende Zondag zouden we het Paasfeest vieren. Toen ik het thuis niet meer kon uithouden ging ik op de Plaetse Welle een luchtje scheppen.
-
Wat zou ons lot zijn, eer nog die vreselijke Aprilnacht ten einde was? Ik ging naar het achterplaatsje om iets te bespeuren van wat er op het Kerkhof gebeurde. Mijn vrouw volgde mij. Daar stonden wij tweetjes, alleen onder de verschrikking van die hemel vol brandgloed. Onwillekeurig keek in naar de toren. Daar voer een schok door mijn lichaam En mijn arm slaande om mijn vrouw, kuste ik haar met tranen in de ogen en riep: 'Goddank,..nu geloof ik dat we gered zijn!' En ik wees naar de Geuzenvlag, die in het bloedrode spel van de vlammen, wapperde en klapperde, alsof zij er wetenschap van had dat zij weldra de vlag van de vrije Nederlanden zou worden.
-
Wat die vlag mij voorspeld had, geschiedde inderdaad de volgende dag. Toen hadden Bloys van Treslong en Jacob Simonszoon de Rijk, en andere kapiteins met hen, zich ernstig verzet tegen het plan van Lumeij om Den Briel te verlaten en de stad in vlammen te doen opgaan. 'Wat moet er van ons worden, als we zo te werk gaan?' hadden zij gevraagd. 'Zwalkers zijn we nu, verjaagd door de Koningin van Engeland en eigenlijk door àlle soevereinen. Altijd blijven zwerven langs de wijde wateren kunnen we niet. Maar als overal vijanden aan de kusten wonen, waar zullen wij dan voedsel en een plaats om te rusten vinden? Van de bewoonde wereld afgesneden, zullen we niets dan zeerovers geworden zijn'. 'Maar wat wilt ge dan? 'had Lumeij gevraagd. 'Zoo ge hier blijft, zijn nog vòòr het einde van deze week de Spanjolen hier met grote overmacht. Bovendien. ..wat zou de Spanjool in zijn handen wrijven van plezier als hij in dit nest al de Geuskens bij elkaar had!' , doch hij kon de kapiteins niet overtuigen. 'Indien we tòch sterven moeten', zeiden ze, 'sterven we liever als helden dan als zeeschuimers en schelmen. We hebben nu eenmaal dit nest...en, dan zullen we er een Geuzennest van maken ook!. De vlag waait al van de toren; dat is de vlag van Willem van Oranje...en in zijn naam zullen we de stad behouden en we zullen de Spanjaards doen zien, dat hebben hebben, maar krijgen de kunst is!'
-
Omdat de verdedigingswerken in slechte staat waren, deden ook de Briellenaren en zelfs de vrouwen hun best de stad te helpen verdedigen. Haringtonnen en manden werden aangesleept en gevuld met aarde, zand en stenen. Op bevel van Alva ontbood Bossu de nodige versterking uit Utrecht en op Zaterdag , 5 April, de dag voor Pasen, waagde hij vanaf Vlaardingen de overtocht en landde in de rivier de Bornesse bij Heenvliet. Vandaar trok hij naar de Geuzenstad. De wachters op de toren waarschuwden dat er onraad was. Een deel van de Watergeuzen ging op zoek naar de landingsplaats van de Spanjaards, een ander deel legden zich in hinderlaag in de omgehouwen boomgaarden aan de oostkant van de stad. Het werd een hete strijd om Den Briel. Met een bewonderenswaardige doodsverachting wierp de Spanjaard zich op de vesting, niet achtend de kogels die uit de donderbussen op hem afgeschoten werden. Nooit heb ik zo woest en wanhopig zien strijden als toen de Watergeuzen deden.
-
De Watergeuzen begrepen dat hun laatste uur gekomen was, dat ze tegen die overmacht niet opgewassen waren en sterven moesten. Nog een korte wijle ..en de Princekleuren werden van de toren gescheurd en de tirannie van Spanje zou onbestreden neerliggen op ons arm vaderland. Mijn knieën knikten me onder het lichaam, mijn bijl liet ik uit mijn hand vallen en van wanhoop sloeg ik mijn handen aan mijn haren en keek naar boven, of van dààr hulpe moest komen en begreep dat die hulpe er komen zou, als men haar riep.
-
Ha! Het was weer de Noordwester die haastig van de zee kwam gestormd en het groene water de rivier òp en onze havens injoeg. Het weerlichtte door mijn hoofd dat het weldra vloed moest zijn en als de sluizen er niet waren, zou de zee zich bruisende storten in de polders. En in een van die laagste polders, in de Nieuwelandse, bevonden zich de Spanjaarden. 't Was of de Noordwester het uitbulderde over de stad: 'Open die doorgang...en heel de zee zal haar jongens te hulp komen!. Thans wist ik wat mijn vaderland van mij eiste. In het gezicht van de vijand zou ik het Nieuwelandse sluisje open moeten hakken. Redden zou ik het leven van mijn dierbaren, redden het leven van mijn landgenoten, neen, redden de vrijheid van mijn vaderland. Toen greep ik mijn bijl. In ontroering was de oude portier opgestaan, zijn rechtervuist balde zich of hij nog de bijl omklemd hield. Ademloos van spanning zag Witte tot hem op...'Portier!' klonk daar opeens een afgemeten, deftige stem. Maar toen Witte zag, wie de nieuw aangekomene was, sloop hij stil en verlegen weg. Een arbeidersjongen ook...en èèn der twee Burgemeesteren vander Stede vanden Brijele!...
-
Er was al weer heel wat tijd verlopen, sedert de dag, waarop Witte naar het verhaal van de portier geluisterd had, dat op zulk een plotselinge wijze was afgebroken. Een tijdlang was Witte vervuld geweest van wat hij hoorde. Was de zee, die hij zo lief had en waarop hij hoopte te gaan varen, de portier werkelijk te hulp gekomen? En ja..., nu kwam het in zijn herinnering op, dat hij wel eens gehoord had van een timmerman die, van de wal gesprongen, onder een kogelregen de vest overgezwommen was, om het Nieuwlandse sluisje open te hakken. Hij wilde 's avonds , toen hij thuis was gekomen, zijn moeder ernaar vragen, maar zij ontving hem met een heel boos gezicht. Want de baas van de lijnbaan had een boodschap gestuurd, dat de jongen doodeenvoudig van zijn werk gelopen was. Maar Witte toonde weinig berouw, hij wou van de lijnbaan af; dat stond vàst in zijn grote kop. Op den duur werd de baas er moe van om nog langer met zo'n onwillige leerling te tobben. Het werd voor beiden onuitstaanbaar zo'n leven, en het slot was, dat Witte wegliep. Dat was heel erg in die tijd, want als een jongen van zijn baas of meester weggelopen was, kon hij niet meer in hetzelfde gilde terecht en moesten de ouders een schadevergoeding en bovendien ook nog een boete betalen. Nu moest vrouw De With weer naar Den Briel heen en weer gaan wandelen om haar zoon in een ander gilde geplaatst te krijgen. Als zij Witte's zin had gedaan, zou zij hem weggejaagd hebben, en wel het zeegat uit. Met veel goeie woorden, en met geld ook, wist zij hem eindelijk in een andere gilde te stoppen, en wel bij dat van de knopenmakers.
-
En nu gebeurde er iets wonderlijks. Witte scheen zijn bestemming gevonden te hebben. Want hij had van de zeelui gehoord -en zijn hoofd zat nu eenmaal vol zeezaken- dat een matroos zelf de knopen aan zijn goed moet zetten. Want- ook dàt wist hij - op zee heb-je geen knopenwinkels, en op de jarenlange zeereizen van toen had-je soms meer aan een knoop, dan aan geld om er een te kopen. Door al die gebeurtenissen had Witte geen gelegenheid meer gehad om eens even naar de afgelegen Langepoort te gaan. Toch liep hij nog steeds aan het verhaal van de portier te denken. Jammer toch, dat hij het slot van de geschiedenis niet te weten was gekomen. Wat zou hij toen met die bijl hebben gedaan? Doch viel het Witte in, de portier had zelf gezegd dat hij vroeger een flink en krachtig man was geweest.....en, o ja, dat hij op die dag, op vijf april zo gebrekkig was geworden. Evenwel - het kòn de portier niet geweest zijn. Eenvoudig omdat hij nu zo arm en ellendig was. De stad en heel het land zou die held toch wel schitterend beloond hebben. Zoo zeurde Witte al voort, hij zou zijn oude vriend weer eens op moeten gaan zoeken. Het speet hem dat hij de portier niet buiten voor zijn hokje aantrof. Wat nu te doen? Heel veel tijd had hij niet. 't Beste was even voor het hokje heen en weer te draaien. Zoetjesaan, net of hij naar iets anders keek, schoof hij naar het hokje toe. Maar opeens bleef hij verwonderd staan. Lieve hemel daar zat een heel andere man, daar was een schoenmaker met een schootsvel en allerlei schoenen en muilen om zich heen. Was Witte niet zo stug geweest, dan had hij wel een praatje met de schoenmaker aangeknoopt; maar hij wist niet hoe hij beginnen zou. Na even heen en weer gedraaid te hebben, keerde hij zich om en ging weg.
-
Nog niet ver was hij de Langestraat ingegaan, of hij liep Maritgen het kleine meisje, dat, net als verleden jaar, met eten in een toegeknoopte doek kwam aandragen, tegen het lijf. Het kleine meisje was helemaal niet meer bang voor de grote jongen, die haar staande hield en vroeg: 'Waar is de portier?' Het lipje van Maritgen plooide zich droevig. 'Hij is erg ziek', zei ze. 'Erg ziek, ' herhaalde het meisje, dat met klimmende verwondering die rare jongen aankeek, die daar stond alsof 't hem niemendal schelen kon dat haar grootvader ziek en zij bedroefd was. 'Zoo!' antwoordde Witte eindelijk, en zonder er iets bij te voegen of verder op Maritgen te letten, liet hij haar staan waar zij stond, en ging verder. Witte hàd nu eenmaal niet veel medelijden; hij was zelfs erg hard. Dat het oude mannetje nu net ziek moest worden, nu hij zo dolgraag het slot van die geschiedenis wilde weten. En als de portier kwam te sterven - want die was stokoud- zou hij dat slot nooit meer horen. En toch....hij zou dat slot horen, en wel op een wijze als hij nooit verwacht zou hebben maar die precies in zijn geest viel.
-
Bij toeval moest Witte voor zijn baas een boodschap doen bij de stuurman van een schip, dat in de buitenhaven lag. Tot zijn grote verrassing vond hij in de stuurman een goeie bekende. Die had hem een jaar of twee geleden, even voor het uitzeilen, een grote dienst bewezen. Toen had de stuurman hem gezien te midden van een hele troep jongens, die hem plaagden en sarden. Met een paar krachtige termen en opstoppers had de stuurman de jongens uiteen gejaagd. Witte had ook nog een paar vegen uit de pan gehad, want de zeeman had gedacht dat hij een lafaard was, en die kunnen zeelui niet te best zetten. Toen had Witte hem verteld, dat hij gèèn lafaard was, maar eenvoudig niet vechten mòcht. En zie, diezelfde redder vond hij nu opeens terug!. Wel, hij vergat er heel de knopenmakerij door en vertelde van alles wat er in die tussentijd gebeurd was. De zeeman had er verbazend veel schik in, en vroeg wanneer Witte nu het zeegat uitging. Witte vertelde dat zijn moeder het niet wou, en dat, als er niemand hem te hulp kwam, hij wel als landrot sterven zou.
-
Misschien komt de zee mij wel te hulp, want dat heeft ze toch ook voor de Watergeuzen gedaan. De stuurman keek hem met grote ogen aan. 'Hoe heb ik het nou met je? 'Is de zee de Watergeuzen te hulp gekomen?' 'Zeker!.. Op vijf April van het jaar 1572'. 'Sapperloot, Witte....je moet zien dat je oud wordt, dan kun-je nog een schooltje opzetten, en de bengels leren van heb ik jou daar!' De stuurman lachte, maar Witte zei hem dat er een sluisje was opengehakt, en dat. 'O, nou snap ik je, je denkt aan Rochus Meeuwiszoon, de timmerman die het Nieuwelandse sluisje kapot maakte. 'Rochus Meeuwiszoon?' , vroeg Witte heel belangstellend, 'heette die held zò?...en hoe is dat gegaan...? 'ho, ho vrind, ik ben er niet bij geweest hoor, maar ik heb het mijn vader dikwijls horen verhalen....Dat was me een mannetjesvent, die Rochus Meeuwiszoon! Zonder zijn heldendaad was Den Briel voor de poes geweest. Ik zeg maar aan alles moet een begin zijn..of weet-jij dan een ding waar geen begin aan zit, dat-je zo zit te grijnzen?' 'Ja,' knikte Witte, 'aan een zeekaak, want die is rond.' Witte kreeg wat zijn hart begeerde. En toen hij heerlijk zat te muizen ging de stuurman voort: 'Om op de wakkere timmerman terug te komen...toen het water in de polder kwam, voelden de Spanjolen dat d'r voetjes nat begonnen te worden...en daar konden d'r mooie schoentjes niet tegen, zie-je. En je begrijpt toen gingen de Geuzen ze achterna. Dat was precies hun element, dat water; ze zaten de Spanjolen achterna en de boeren deden ook mee. En toen de arme sukkels, die Spanjaarden bedoel ik, bij de Bornesse kwamen en veilig en wel op d'r schepen wilden, - had Bloys van Treslong daarvan zoveel mogelijk de touwen gekapt en was er hier en daar al een schip aan 't branden.
-
Rochus Meewiszoon kon er toen niet bij zijn, hij was zo gewond dat hij er ongelukkig door bleef. Gelukkig zat hij er goed in, hij was timmerman en bezat wel twee of drie huizen in eigendom. 'O, dan was hij zeker stadstimmerman?' 'Nee. Hij was Konings-timmerman.' ' en hoe is het met Rochus Meeuweszoon afgelopen. Wel, als hij nog leeft dan moet hij dichter bij de negentig zijn dan ik bij de vijftig. Witte glimlachte maar toen vroeg hij weer, 'hebben ze hem wel bedankt...die Rochus Meewiszoon. 'Dat zal wel, een bedankje kost niet veel.' Dat geloofde Witte ook wel. 'Maar , vroeg hij weer, hebben ze hem ook goed beloond? Ik bedoel of het land en de stad...en de burgemeesters...en ...' En nou, opgerukt, zei de stuurman' En de jongen nog lachend met z'n vinger dreigend, ging de zeeman heen. Die dag kreeg Witte zijn eerste standje van zijn knopenbaas. 'Ik ga toch nog eens naar de Langepoort', dacht Witte, terwijl zijn meester net aan het voorspellen was, dat hij voor gal en rad zou opgroeien. 'Als dat oude mannetje nu maar niet dood gaat, want dan hoor ik nooit het fijne van de zaak, en dat zou me spijten.'
-
Deze Novemberdag van het jaar 1610 was wel een uitgezochte en zeldzaam mooie dag. Op het gras van het kerkhof, lagen de afgevallen en reeds bruin geworden blaren heengespreid. Er werd weer een nieuw bewoner op het kerkhof verwacht. Daar wachtte een open groeve. En daar kwam ze al aan, de lijkstaatsie. Van heel ver had ze niet behoeven te komen. Want de Plaetse Welle lag vlakbij de Godsakker, en uit een van de huisjes op dat plein was de kist gedragen, die toen voorzichtig en eerbiedig op de draagbaar was gezet en omhuld met het zwarte kleed. Zwaar bromde de grote klok, de Catharina, die volgens de gewoonte van die dagen over elke dode ter uitvaart werd geluid. De man die hier uitgedragen werd en neergelegd bij de velen die hem vooraf gegaan waren, en die hij nu volgde, doodmoe van het leven, zodat de dood voor hem een verlossing was geweest- die man was Rochus Meeuwiszoon, 's Koningstimmerman...neen, de arme , verwaarloosde, vergeten ...Portier van de Langepoort. De door zijn heldendaad ongeschikt geworden timmerman, die door onverschilligheid van zijn tijdgenoten zo arm was geworden dat hij de Staten van Holland om ondersteuning had moeten vragen.
-
Van Rochus Meeuwiszoon heeft Witte het verhaal van het openhakken van het sluisje niet meer kunnen horen. Maar wel van de nieuwe portier, de schoenmaker die hij in het poortwachtershokje gezien had. Die Jacob Egberts was met de dochter van Rochus Meeuwiszoon gehuwd, en hij wist alles over het sluisje. Nu Witte wist wat voor held de portier geweest was, leek het alsof hij een soort minachting voor het oude mannetje had gekregen. Witte was niet van de geaardheid om te dulden en te dragen. Hij heeft zichzelf door het leven heengeslagen, door honderden en nog eens honderden bezwaren, en zichzèlf heeft hij gemaakt tot een man, wiens naam door de wereld klonk als een van die vele Nederlandse zeeleeuwen, van wie nog menig vader zijn kinderen vertellen zal. Witte is tot grote hoogte opgeklommen. En daartoe hebben hem geen mensen geholpen. Zijn dood is even geweldig geweest als zijn leven. En nooit is hij overwonnen, noch door de vijand, noch door de omstandigheden van het leven. Hem voorwaar had men in geen portiershokje gestopt. Hij zou er even zo goed uitgekomen zijn om weer het weide water op te zoeken en daar te sterven, als hij gekomen is uit zijn kamer op de Gevangenpoort in Den Haag, waar hij opgesloten is geweest en waar men nog zien kan het scheepje, dat hij met zijn mes in het houten beschot van de bedstede heeft uitgesneden, en dat ons nòg vertelt hoe heel zijn ziel vervuld was van de zee. Hij is nooit iemand geweest om te buigen. Zijn kop heeft hij opgeheven tegen allerlei hoogheden, tot de hoogste in het land toe. Hij vraagt niet ons medelijden, evenmin als hij ooit zelf medelijden heeft gehad, en daarom niet geliefd, maar eer gevreesd was.