Zelden zullen jullie zo dikwijls aan de Gouden Eeuw hebben gedacht als in de laatste weken, toen vaak verteld werd van hoogtepunten in de geschiedenis der Nederlanden. Historische spelen en optochten werden gehouden, overal zag je dingen uit vroeger tijden. De 'Gouden Eeuw' vooral, waarin wel niet alles 'goud' was, maar het was toch een grote tijd voor het vaderland, waarin kerels van stavast de grondslagen legden voor hetgeen wij nu nog hebben: Het Nederlandse Koninkrijk. Er werd toen gehandeld door mannen met forse handen en heldere hoofden. Trouw, moed, godsdienstzin, tegenwoordigheid van geest en handelskennis, dit alles stak in onze voorvaderen. Wij kunnen het in het verhaal van Paddeltje allemaal terugvinden. Het waren heus geen lieverdjes in die tijd of zeurpieten. Paddeltje haalde graag een streek uit en vond de lessen van den schoolmeester – die hij aan den 'Ouwe' beloofd had te zullen nemen- heel taai. Bovendien was die meester een gemene vent, die beter slaan kon dan les geven. Paddeltje wordt dus de school uitgekieperd en klaagt bij Lange Meeuwis zijn nood. Meeuwis vraagt raad aan den 'Ouwe' en de grote Michiel de Ruyter, die zich zelf nog best kan herinneren, dat er eens zoiets met hem gebeurde, gaf de raad eens naar Den Briel te gaan en les te nemen bij den 'Wonderdokter'. Zo ontmoeten wij Paddeltje vandaag op het Brielse veer en trekken met hem naar den wonderdokter, die niemand anders is dan de tamboer bij admiraal Witte de With.

vorige

volgende